Kamer aanvaardt uitleg ministers; Maatregelen tegen hoofdrolspelers IRT

PAG.3 RELATIES MINISTERS MET VELD VAAG / REACTIE / WIERENGA; PAG.9 HOOFDARTIKEL

DEN HAAG, 8 APRIL. De ministers Hirsch Ballin (justitie) en Van Thijn (binnenlandse zaken) zullen maatregelen nemen tegen verantwoordelijke functionarissen van de Amsterdamse politie- en justitietop wegens hun aandeel in de IRT-affaire. De ministers zelf hoeven van de Tweede Kamer niet af te treden.

Dit was vannacht de uitkomst van een veertien uur durend debat in de Tweede Kamer. Een motie van de oppositie om het beleid van de beide politieministers af te keuren werd verworpen door de regeringsfracties, met steun van de kleine christelijke partijen. De coalitiegenoten achtten het verweer van de ministers, die werden bijgestaan door premier Lubbers, voldoende. Er komt wel een parlementair onderzoek naar de opsporingsmethoden die politie en justitie gebruiken ter bestrijding van de zware, georganiseerde misdaad. De beide regeringspartijen steunden een motie hiertoe die VVD, D66 en GroenLinks hadden ingediend.

Tijdens het debat bleek dat Hirsch BalIin en Van Thijn verschillend oordeelden over de verantwoordelijke functionarissen in Amsterdam. Terwijl Hirsch Ballin het optreden van de top van justitie en politie veroordeelde, nam Van Thijn de 'driehoek' in bescherming. Vanochtend verklaarde hij voor de radio dat hij geen aanleiding had het vertrouwen in Nordholt op te zeggen.

In Amsterdam was vanmiddag spoedoverleg tussen hoofdcommissaris Nordholt en de politiebonden. Voorzitter Kruizinga van de Algemeen Christelijke Politiebond (ACP) twijfelt aan de houdbaarheid van de posities van de Amsterdamse korpschef, Nordholt, commissaris Van Riessen en hoofdofficier Vrakking. “Ik heb signalen dat het Amsterdamse korps enorme spanningen zijn omdat door de top de goede naam te grabbel is gegooid”, aldus Kruizinga. Hij verwachte dat vanmiddag de vertrouwensvraag wordt gesteld.

Hirsch Ballin en Van Thijn erkenden gisteren in het debat dat er “fouten” zijn gemaakt in de affaire die ontstond na de plotselinge ontbinding van het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht (IRT) op 7 december vorig jaar. Van Thijn gaf toe dat hij als burgemeester/ korpsbeheerder van Amsterdam op sommige punten weliswaar “beter bij de les had moeten zijn”, maar dat hij ook “dwars door alles heen” positief had gestaan tegenover de voortzetting van het IRT. Minister Hirsch Ballin vond niet dat hij kan worden aangesproken op individuele handelingen van functionarissen van het openbaar ministerie.

De oppositie laakte het feit dat de beide bewindslieden geen volle verantwoordelijkheid namen voor het IRT-debâcle. VVD-leider Bolkestein vond het onaanvaardbaar dat ambtenaren worden gestraft “terwijl de hoge heren elkaar de hand boven het hoofd houden”. Fractievoorzitter Van Mierlo van D66 zei dat de bewindslieden misschien persoonlijk weinig te verwijten valt, maar dat zij wel de “formele verantwoordelijkheid” op zich hadden moeten nemen.

Pag.3: 'Verziekte' verhoudingen in Amsterdam

De politiewoordvoerders van D66 en de VVD, Kohnstamm en Dijkstal, bouwden hun betogen op rondom de stelling dat de beide politieministers te weinig hebben ondernomen om de spanningen tussen het OM en de Amsterdamse politie te verminderen. Die spanningen werden door de commissie-Wierenga gezien als belangrijkste oorzaak van het opheffen van het IRT.

Van Thijn verweet zichzelf dat hij als burgemeester van Amsterdam en beheerder van het hoofdstedelijke politiekorps, op 7 december het persbericht had ondertekend waarin de ontbinding van het IRT werd bekendgemaakt. Het persbericht, zo werd later vastgesteld, had de levens van verschillende betrokkenen bij het IRT in gevaar kunnen brengen.

Minister Hirsch Ballin, die de afgelopen weken wegens rugklachten thuis op bed bleef, sprak zich voor het eerst in de openbaarheid uit over de inhoud van het rapport-Wierenga. Volgens hem is het rapport over de IRT-affaire “zo ernstig” dat het wel gevolgen dient te hebben voor de vier Amsterdamse functionarissen die door de commissie-Wierenga als hoofdverantwoordelijken worden gezien. Er zullen 'functioneringsgesprekken' worden gehouden met procureur-generaal Van Randwijck, hoofdofficier van justitie Vrakking, hoofdcommissaris Nordholt en commissaris Van Riessen. De minister zei dat de gevolgen, afhankelijk van de gesprekken, uiteen kunnen lopen, “waarbij niets bij voorbaat is uitgesloten”.

De CDA-bewindsman zei het rapport “met grote ergernis” te hebben gelezen. Volgens hem is het IRT door “verziekte verhoudingen in het Amsterdamse” onderuit gehaald, omdat politiefunctionarissen het IRT “op het eigen erf niet konden velen”. De minister vond dat het bij het korps “ernstig schortte aan een loyale uitvoering” van beslissingen van het bevoegde gezag.

Kohnstamm en Dijkstal vonden het “beschamend” dat Hirsch Ballin “de schuld bij de Amsterdamse politie en justitie” legde zonder dat hij daarvoor zelf de eindverantwoordelijkheid wilde nemen. “De minister vindt dat het handelen van Amsterdam niet zonder consequenties kan blijven. Zijn eigen optreden heeft geen gevolgen”, zei Kohnstamm. Dijkstal is van mening dat de minister van justitie “verantwoordelijkheid draagt voor het bevoegd gezag, het openbaar ministerie”. De bewindsman ontkende die verantwoordelijkheid: “Het OM is geen buitendienst van het departement”, verklaarde hij.

Hoewel de oppositie niet in staat bleek de positie van de twee bewindslieden aan het wankelen te brengen, kregen de fracties van VVD, D66 en GroenLinks aan het eind van het debat wel ruime steun voor de motie waarin om een parlementair onderzoek naar de opsporingsmethoden van politie en justitie werd gevraagd. Een parlementaire commissie gaat onderzoeken welke opsporingsmethoden politie en justitie op dit moment hanteren bij de bestrijding van de zware, georganiseerde criminaliteit. In het onderzoek moet ook worden vastgesteld of de uitvoering van die methoden ook daadwerkelijk binnen de gestelde grenzen blijft. Ten slotte moet het duidelijk worden op welke wijze het openbaar ministerie, de rechterlijke macht, de minister van justitie en de Eerste en Tweede Kamer effectief kunnen controleren uitoefenen op de gehanteerde opsporingsmethoden.

Waarnemend burgemeester F. de Grave van Amsterdam wacht met zijn oordeel over de uitkomst van het IRT-debat tot maandag. Dan vergadert de raadscommissie voor algemeen bestuurlijke en juridische zaken met hoofdcommissaris Nordholt over de IRT-affaire.