IRT 1989 - 1994

Januari 1989. Het Interregionaal Recherche Team Noord-Holland/Utrecht (IRT) wordt opgericht om de zware drugscriminaliteit te bestrijden. Door slepende onderhandelingen tussen de betrokken politiekorpsen gaat het team pas in 1991 aan de slag.

Begin 1992. Het IRT ontmantelt de grootste bende op het gebied van chemische drugs die tot dan toe in Nederland heeft geopereerd. De IRT-leiding raakt in conflict met de Amsterdamse recherche over de uitwisseling van informatie.

Maart 1993. Burgemeester Schmitz van Haarlem, voorzitter van de commissie die moet toezien op het functioneren van het IRT, waarschuwt de toenmalige minister Dales (binnenlandse zaken) voor onderlinge tegenwerking van het Amsterdamse korps, het IRT en de FIOD.

Juli 1993. De Amsterdamse korpschef Nordholt en hoofdofficier Vrakking hevelen de supervisie van het IRT over naar Amsterdam. De Utrechtse hoofdinspecteur Lith die de leiding had, vertrekt.

7 december 1993. Het IRT wordt ontbonden. De toenmalige Amsterdamse burgemeester Van Thijn en de Amsterdamse politie- en justitietop maken bekend dat hen was “gebleken dat reeds gedurende een periode van ongeveer twee jaar een werkmethodiek werd toegepast” waarvoor ze “geen verantwoording willen dragen”.

22 januari 1994. De Utrechtse hoofdcommissaris Wiarda beschuldigt de Amsterdamse korpleiding van corruptie. Nordholt noemt de beschuldingen “infaam”.

27 januari 1994. Politieministers Hirsch Ballin en Van Thijn ontkennen dat corruptie een rol heeft gespeeld bij de opheffing van het IRT.

24 maart 1994. De commissie-Wierenga schrijft in haar rapport dat haar van corruptie binnen het Amsterdamse politiekorps niets is gebleken. De werkelijke redenen voor het opheffen van het team waren volgens de commissie spanningen binnen het openbaar ministerie in Amsterdam en het feit dat de Amsterdamse politie niet met andere korpsen wilde samenwerken. Hoofdofficier Vrakking, procureur-generaal Van Randwijck, korpschef Nordholt en commissaris van Riessen krijgen ervan langs. Onmiddellijk na bekendmaking van het rapport zeggen premier Lubbers en minister Van Thijn dat deze personen niet hoeven af te treden, noch de twee betrokken ministers.

25 maart 1994. Het kabinet kondigt functioneringsgesprekken aan met de Amsterdamse politie- en justitietop. Overplaatsing wordt niet uitgesloten.

7 april 1994. Tijdens het debat met de Tweede Kamer veroordeelt het kabinet de handelwijze van de top van de Amsterdamse politie en justitie. De Kamer besluit tot een parlementair onderzoek naar omstreden opsporingsmethoden.