Het ploegen is gebeurd; Edo de Waart over zwerven, moderne orkesten en de one-manshow van de dirigent

“Af en toe ben ik nu een echte dirigent, al ben ik er nog niet,” zegt Edo de Waart, die negen jaar na zijn vertrek bij de Nederlandse Opera als gastdirigent 'Salome' van Strauss dirigeert. Het Nederlandse muziekbeleid kleutert maar door, vindt De Waart, maar zelf is hij tevreden bij het Radio Filharmonisch Orkest. “Angst breekt creativiteit af en ik raak nu steeds meer af van die angst.”

Kaarten voor Salome (vanaf 11 april t/m 3 mei in het Muziektheater) zijn alleen nog verkrijgbaar aan de avondkassa.

Het is als de terugkeer van een verloren zoon: Edo de Waart dirigeert weer bij de Nederlandse Opera. Bijna negen jaar geleden vertrok hij daar plotseling, drie dagen na zijn eerste voorstelling als chef-dirigent. Vanaf maandag leidt De Waart als gastdirigent de tweede reprise van Strauss' Salome in de regie van Harry Kupfer. Anders dan bij de vorige voorstellingen zit in de orkestbak van het Muziektheater niet het Nederlands Philharmonisch Orkest, maar het Radio Filharmonisch Orkest, waarvan De Waart sinds 1989 chef-dirigent is.

Ooit was Edo de Waart aangezocht om Hans de Roo op te volgen als intendant van de Nederlandse Opera, maar die functie oefende hij nooit uit. De Waart werd wel chef-dirigent, maar in september 1985 kondigde hij nog voor zijn tweede voorstelling in die functie alweer ontslag aan. De Waart wilde niet verder werken met het Nederlands Philharmonisch Orkest, dat de meeste voorstellingen begeleidt. De dirigent vond dat het met het de organisatie van het muziekleven in ons land de verkeerde kant op ging en voelde zich in de steek gelaten.

“Dit is geen land waar men als een man achter een idee gaat staan en iemand een mandaat geeft,” zei hij in een interview op de voorpagina van deze krant. “De minkukels regeren hier, als je je kop boven het grasveld uitsteekt wordt die eraf gemaaid. Waarom kunnen we hier nooit eens trots wezen op iets goeds? Cruijff, de fantastische voetballer, mag hier geen trainer worden worden omdat hij een papiertje niet heeft. Dan laat je je als land wel in de kaart kijken. Als ik me er niet zo bij betrokken zou voelen, zou ik me er niet zo over opwinden.”

Het interview werd destijds gemaakt na zijn tweede voorstelling als chef-dirigent bij de Nederlandse Opera in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Het Muziektheater zou pas een jaar later worden geopend. De Waart was in zijn kleedkamer na zijn ontslagname hevig geemotioneerd en zwaar teleurgesteld. Ruim acht jaar later, op een late zaterdagmiddag nadat hij eerst nog viereneenhalf uur voor Salome heeft gerepeteerd, kijkt De Waart in zijn ruime appartement in de Amsterdamse Concertgebouwbuurt verbaasd naar dat kranteknipsel. Alsof het over iemand anders gaat leest hij over zijn woede op de minkukels. Daarna is hij langdurig stil.

“Ja, er is nu afstand. Het was een moeilijke tijd in mijn leven. Ik had spijt dat ik bij het San Francisco Symphony Orchestra had opgezegd, in een vlaag van enthousiasme om hier te gaan werken bij de Opera. Mijn vader zong tot 1972 in het koor van de Opera, hij was voorzitter van de koorcommissie. Mijn hele jonge leven had ik gehoord: we krijgen een nieuw gebouw. En toen dat eindelijk kwam, was ik enthousiast. Eerst werd mij zelfs het intendantschap aangeboden, terwijl ik geen besef had wat daarvoor komt kijken. Er zou een groot nieuw orkest komen, met 140 man, gekozen op basis van audities. Het zou naast het operawerk ook symfonische en kamermuziek-concerten geven. Het was een droom: als Nederlandse dirigent het nieuwe theater openen waarover ik mijn hele leven had gehoord, chef-dirigent zijn bij de Opera en concerten geven met het eigen orkest.

“Het was een ideaal zoals dat er uiteindelijk natuurlijk niet heeft mogen zijn. Het Nederlands Philharmonisch Orkest werd een fusie tussen het Amsterdams Philharmonisch Orkest, het Utrechts Symfonie Orkest en het Nederlands Kamerorkest. De tweehonderd musici moesten worden teruggebracht tot 140. Ik was toen 44, ik had de energie en de zin niet om te beginnen aan dat werk dat Hartmut Haenchen later zo voortreffelijk gedaan heeft. Al het breekwerk, het gepulk, het gedoe, het afzien, dat ik kende van het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het San Francisco Symphony Orchestra. Toen kreeg ik een aanbod uit Minneapolis en kon ik in Amerika blijven.

“Ik weet niet wat ik nu zou doen, maar ik heb nooit spijt van mijn ontslag gehad. Haenchen en Audi hebben het wel voor elkaar gekregen. Misschien moest het wel zo. Ik vind het nu erg leuk om daar weer te werken en ik zou geen moeite hebben voor het Nederlands Philharmonisch Orkest te staan. Maar ik heb daarvoor naast mijn nieuwe baan als chef-dirigent in Sydney geen tijd. Het eigen orkest heeft prioriteit. We praten nu uitvoerig over nieuwe operaplannen - elk jaar een voorstelling met het Radio Filharmonisch Orkest: Werther van Massenet in de regie van Wily Decker, ik hoop op nog eens een Rosenkavalier, of Tristan und Isolde, de enige grote Wagner die ik nog niet heb gedaan.”

Leonard Bernstein

De Waart bladert voorzichtig verder door de dikke map met knipsels over hem uit het krantenarchief. De eerste zijn uit 1964, over de 22-jarige hoboist van het Concertgebouworkest die dirigent wilde worden. Een jaar eerder was hij bij een dirigentencursus in Hilversum afgewezen als te jong. Maar in 1964 mocht De Waart wel komen en later dat jaar hoorde hij tot de zes prijswinnaars van het Mitropoulos Concours in New York, wat hem een baan opleverde als assistent van Leonard Bernstein bij het New York Philharmonic Orchestra. In 1966 werd hij assistent-dirigent bij het Concertgebouworkest, in 1967 werd De Waart benoemd tot vaste dirigent bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

In 1974, tien jaar na het begin van zijn dirigentencarriere, zei hij na een periode van drie maanden rust wegens overspannenheid: “Ik ben bijna een dirigent.” Hij wil daar na twintig jaar wel op terugkomen. “Toen heb ik dat wel bescheiden gezegd, maar vooral omdat iedereen dat altijd zegt. Het was natuurlijk vooral ironisch bedoeld. Maar vandaag zeg ik: af en toe ben ik nu een echte dirigent, al ben ik er nog niet. Er zijn technische aspecten van het vak die gemakkelijker geworden zijn en toch ben ik steeds meer verbaasd dat er nog zo veel te leren is. Het is aantrekkelijk om te denken - als dat doorgaat - dat er nog veel in het verschiet ligt.”

De Waart, die zich vroeger zo druk maakte over bezuinigingen, over verkeerd kunstbeleid, over miskenning van Nederlandse dirigenten in eigen land, kan zich daarover nu nog nauwelijks meer opwinden. Hij reageert eigenlijk niet op vragen over het feit dat er nog maar drie Nederlandse chef-dirigenten in eigen land werken: Edo de Waart en Kees Bakels bij de omroeporkesten en Lucas Vis bij het Noordhollands Philharmonisch Orkest. Ook het feit dat er nauwelijks nog assistentsplaatsen zijn om jonge dirigenten ervaring op te laten doen beroert hem eigenlijk niet.

Zo komen we op zijn merkwaardige afstandelijkheid tegenover allerlei problemen. De Waart constateert bij zichzelf een andere houding ten opzichte van zijn persoonlijk leven en ook van zijn muzikale werk sinds zijn relatie met de Amerikaanse mezzo-sopraan Susan Graham. “Ze heeft me geleerd een positieve houding te hebben, niet langer te kankeren en mijn eigen grote dirigenten-ego minder belangrijk te vinden. Het is een worsteling geweest om van mijn angsten af te komen en mijn problemen ondergeschikt te maken aan die van een ander, maar dat begint me nu te lukken. “Susan gaat waarschijnlijk een veel grotere carriere maken dan ik. Wanneer ik ergens met haar ben en mensen kennen me niet, dan denken ze dat ik Mr. Graham ben. Dat maakt mij nu niets meer uit, maar vroeger dacht ik: wat, kennen ze mij niet?

“Ja, die periode is echt voorbij en dat maakt een enorm verschil. Niet steeds gericht zijn op wat niet goed is, dan wordt iedereen in het orkest bang of miesj. Ik wou dat ik dat dertig jaar geleden had geweten. Het komt uit mijn jeugd, denk ik. Ik ben in '41 geboren, mijn vader was ondergedoken, mijn moeder was ongelukkig, het huwelijk was ook niet goed, toen ik elf was gingen ze uit elkaar. Het was altijd vechten en ruzie.”

Anderhalf pond

De Waart pakt de map met recensies er weer bij en weegt die in zijn handen. Bij elkaar is het anderhalf pond. “Als ik zie wat ik allemaal heb gedaan, dan is er geen reden om te kniezen.” Hij begint ergens te lezen: “Kijk, in 1974 maakte ik mij al druk over dat onzalige plan van het rijk om de conservatoria te spreiden. Twintig jaar later zitten ze daarover nog te etteren, daar word je toch niet goed van. Daar wond ik me toen als broekie al over op en nu ik een gezapige 52-jarige ben is er niets veranderd, ze kleuteren maar door, ook met dat eeuwige gezeur over het orkestenbestel. Ik ben nu ouder en rustiger geworden en ik heb geleerd dat het niet veel oplevert, als ik me over alles zo vreselijk opwind.

“Ik zou zelfs geen jaar jonger willen zijn, al was ik vroeger fysiek tot meer in staat. Maar je kunt je beter verlaten op je geestelijke capaciteiten dan op je lichamelijke vermogens. Ik moet wel oppassen niet het elan te verliezen. Ik wil minder doen, maar wel goed. Het beste is om te werken met orkesten die niet gearriveerd zijn, zodat je nooit op je lauweren kunt rusten.

“Het is nu heerlijk om Salome te doen met het Radio Filharmonisch Orkest, dat die opera nog nooit heeft gespeeld. Voor mij persoonlijk zou het leuker zijn met het orkest van het Bayerische National Theater. Dat speelt Salome uit het hoofd en dan heb ik er ook eens wat aan. Maar die ontdekkingsreis met mijn eigen orkest zou ik niet willen missen. ,Hetzelfde geldt voor de cyclus die we nu doen met alle Mahlersymfonieen. Ik heb nooit het genoegen gehad met orkesten te werken die het repertoire kenden zodat ik iets kon leren van de traditie van een orkest, behalve een keer in Chicago. Dat ik daar niet ben terechtgekomen heeft een oorzaak. Er is een reden dat je daar niet hoort. Er zijn geen ongelukken in het leven, het gaat hoe het gaan moet. En dat ik van het ene naar het andere orkest ben gegaan en steeds meer groei, dat heb ik nodig.

“Die baan bij de Nederlandse Opera: dat was voor mij een stap te ver. Ik vond het ook te benauwd in Nederland. Ik ben zo'n zwerver geworden, ik bracht laatst Susan naar Schiphol en als ik dan al die jumbo's zie heb ik zo'n aandrang ook weg te vliegen. Misschien ben ik toch minder huiselijk dan ik dacht. Ik zou gek worden als ik altijd in een land zou moeten blijven. Het is ook wel een vlucht: nooit de feiten onder ogen te hoeven zien. Als ik Rotterdam was gebleven, had ik er nu 25 jaar gezeten, ik moet er niet aan denken!”

vraag

Mengelberg is vijftig jaar bij het Concertgebouworkest gebleven.

“Mengelberg had binnen tien jaar iets voor elkaar in een grandioze zaal - ik ben nooit in zo'n positie gweest. Waar had Mengelberg naartoe gemoeten? Ik sprak in Cleveland met George Szell, die herinnerde zich de jaren twintig in Berlijn, waar toen iedereen was, Furtwangler, Walter, Klemperer, noem maar op. Daar kwam toen het Concertgebouworkest dat niemand eerder had gehoord. Nog maanden daarna was dat het gesprek in de muziekkringen, hoe onvoorstelbaar goed het was, veel beter dan de Berliner Philharmoniker. Een orkest tot perfectie kunnen drillen, dat is het voordeel van erg lang blijven.

“Het was ook een andere tijd, met meer repetities en minder concerten, een orkest is nu meer een produktiebedrijf. Ik ben wel jaloers op Simon Rattle, op zijn rust om op zo'n jeugdige leeftijd de beslissing te nemen zijn hele leven te wijden aan het orkest in Birmingham, waar ze een zaal voor hem hebben gebouwd. Nu dreigen er toch bezuinigingen en om de overheid onder druk te zetten tekent hij alleen nog per jaar bij.

“Ik heb vaak gedacht: had ik niet in Rotterdam moeten blijven? Toen kon ik niet zo vaak nee zeggen, maar nu wordt dat voor mij gemakkelijker, omdat ik steeds meer twijfel aan de huidige orkestpraktijk. De sfeer rond orkesten is veranderd: meer presteren, commercieler, het gaat om hype, slogans, image. Er zijn nog heel weinig orkesten die een Beethovensymfonie echt goed kunnen spelen. Daarom verheug ik mij dat ik straks als eerste 'straighte' dirigent voor het Orkest van de Achttiende Eeuw mag staan met de Italiaanse symfonie van Mendelssohn en de Pastorale van Beethoven.

“Juist de kunst van het orkestspel interesseert mij. Ik ben opgeleid door mensen die direct van Mengelberg vandaan kwamen: Thom de Klerk, Haakon Stotijn, Jaap Spaanderman. Hen ging het om het afwerken van een frase, de exacte betekenis van een puntje achter een noot. Het gaat nu alleen nog om opwinding. Na al die cd's hebben we nu zoveel geweldigs in onze herinnering, dat daar in de concertzaal voor een normaal mens niet meer tegenaan te gaan is.”

vraag

Als publiek, maar vooral ook als critici, verlangen wij steeds weer andere interpretaties, anders dan verleden week, terwijl het er vroeger om ging dat een dirigent doorging in zijn eigen stijl en die samen met het orkest steeds verder uitdiepte, verfijnde en perfectioneerde.

“Dat is meer de traditie waarin ik ben opgegroeid. Ik kan me niet voorstellen dat andere mensen zo geinteresseerd zijn in wat juist ik als dirigent met een stuk doe. Bernard Haitink is ook zo, hij heeft nooit zo gezocht naar zo'n ongelooflijke verpersoonlijking, het zichzelf tussen de muziek en de luisteraar plaatsen, zoals Bernstein dat deed. Bernsteins Mahler is totaal anders geworden, in Wenen ging hij tijdens de Negende op de knieen. Je moet maar durven, daar ben ik te nuchter voor.

“Ik heb een video met oude opnamen van beroemde dirigenten. Vroeger stonden Nikisch en Furtwangler en Toscanini absoluut niet zelf emotioneel te doen met tranen over hun wangen. Maar de orkesten speelden zich uit de naad. Nu is het vaak andersom: een one-manshow van de dirigent, die zich ophangt in zijn eigen strikje en het orkest zit er ondertussen ontspannen bij. Dat sterrendom, ik heb daar grote moeite mee, het is kwalijk, maar ik kan het niet tegenhouden.”

vraag

Halverwege de Mahlercyclus die u nu doet met het Radio Filharmonisch Orkest leek er opeens een andere geest te heersen. Heeft u dat zelf ook ervaren?

“Ik doe al twintig jaar Mahler, maar toen ik er hier mee begon was ik er niet van overtuigd dat ik verder zou komen dan een heel goede kapelmeester, dat was me nog maar enkele keer gebeurd. En de meeste symfonieen waren nieuw voor het orkest. Dat legde een grote druk op me: je komt daar de trap af in het Concertgebouw waar Mahler zelf heeft staan dirigeren en Mengelberg en Van Beinum en Haitink, dan duurt het even voor je denkt: ik mag hier ook staan.

“De kritiek was aanvankelijk ook heel juist, ik heb daar nooit echt moeite mee gehad. Aan het begin van dit seizoen klikte het opeens. Later moeten we er in langzamer tempo nog eens doorheen, zodat er als ik weg ga een traditie is. Tijdens de Zesde symfonie kwam laatst voor het eerst een keer of vier het beeld van Bernstein op me af. Het beeld hoe hij bevrijd was van elke zorg of het gelijk is, of het stemt, of het mooi klinkt - totaal ontdaan van zorgen en alleen maar de muziek volgen en het laten gebeuren.

“Als ik daar ooit kan komen ben ik een blij mens. Of andere mensen dat mooi vinden of niet zal me dan niets kunnen schelen. Die verantwoordelijkheid, de grootsheid van waarmee ik bezig ben, mag ik dit wel? Als een Amerikaan uit Brooklyn Mahler kan doen, moet ik dat in Amsterdam ook kunnen mogen. Angst breekt creativiteit af en ik raak nu steeds meer af van die angst. Bij Nikisch' Beethoven was geen noot gelijk, bij Furtwangler de helft niet. Maar daar gaat het ook helemaal niet om in de muziek. De goede tijd met het Radio Filharmonisch Orkest komt nog. Na Die Frau ohne Schatten, Les Troyens, de Wagneropera's en al deze Mahlers wordt het orkest steeds handiger, dat merk ik bij Salome. Het komt, nu het ploegen is gebeurd.”

vraag

Dat bewijst toch weer dat een dirigent lang bij een orkest moet blijven.

“Ik heb niet voor niets tot 2003 bijgetekend. Het is absoluut mijn bedoeling om hier vijftien jaar te zijn en misschien wel twintig, als me dat gegeven is. Het is wel merkwaardig dat dit het orkest is dat ik het eerst heb gedirigeerd en ook het eerste orkest waar ik niet ben begonnen met alles te willen veranderen. Mijn hele leven probeerde ik alles te sturen en te controleren en nu merk ik dat je het gewoon moet laten gebeuren.

“Tegenwoordig kan ik ook wel eens een paar maten niet dirigeren en vertrouwen geven aan het orkest zodat het zichzelf kan zijn. Bernstein was daar onvoorstelbaar bedreven in. Je kan het ook langs een andere weg bereiken. Ik ben niet de veldheer die binnenkomt, ziet en overwint als gastdirigent. Ik heb de tijd nodig, ik moet de mensen leren kennen.

“Dat is de grote opdracht voor mijn resterende jaren, om dat uit te bouwen, daar steeds meer van te begrijpen. In Rotterdam waren we allemaal vrienden, in San Francisco kwam ik als de Europese chef binnen en was er afstand, in Minneapolis was dat nog erger. Nu in Hilversum is er meer gemak, ze laten zich niet afschrikken door mijn Hollandse angst om voor joker te staan. Ik blijf nu wel eens na voor een borreltje, terwijl ik dat vroeger niet leuk vond.

“Het enige dat ik nog zou willen is een jaar of tien muzikaal directeur zijn bij een operahuis, onder de juiste omstandigheden. Ik zou liever dood gaan in de orkestbak dan op het podium.”

    • Kasper Jansen