Grameen Bank geeft de armsten van Bangladesh nieuwe kansen

De Grameen Bank in Bangladesh verstrekt leningen aan de allerarmsten om ze een kans op een beter bestaan te geven. Het succes is zo groot dat het model inmiddels in veel andere landen wordt toegepast. Ook in de Verenigde Staten, waar niemand minder dan president Clinton tot de bewonderaars van de Grameen Bank hoort.

Tussen de groene velden buiten het dorp Kalampur, zo'n veertig kilometer ten noordwesten van Dhaka, staat een sober gebouwtje van twee verdiepingen. Het is een van de 1038 kantoren van de Grameen Bank (Dorpsbank), die gespecialiseerd is in kredieten voor straatarme plattelandsbewoners. Dorpelingen, vooral vrouwen, die bij gewone banken geen schijn van kans hebben, kunnen hier een lening afsluiten. Niet gratis, maar voor een in Bangladesh normale rente van 20 procent per jaar.

Voor de poort wacht een twintigtal vrouwen geduldig op de uitbetaling van nieuwe leningen, terwijl binnen medewerkers van de bank dikke stapels bankbiljetten tellen - de aflossingen die zijn binnengekomen. Gehuld in een oranje sari, staat daar ook de 24-jarige Mariam. Met haar bankboekje in de hand vertelt ze zelfbewust over haar geslaagde carrière als mini-entrepreneur.

“Vijf jaar geleden zat ik nog aan de grond. Ik droeg vodden en sliep in de open lucht. Als het regende moest ik naar een schuilplaats vluchten.” Toen hoorde ze over de Grameen Bank en gesteund door vier andere vrouwen sloot ze een lening van 2.000 taka, ongeveer honderd gulden. Een belachelijk lage som volgens de normen van gevestigde bankiers, maar een bedrag dat een ommekeer in het leven van Mariam bewerkstelligde.

Met het geld kocht ze ruwe rijst die ze pelde en daarna met enige winst op de markt verkocht. Haar lening loste ze keurig op tijd af, met de afgesproken rente. Daarmee kwalificeerde ze zich voor nieuwe, iets omvangrijkere leningen. Terwijl ze haar bescheiden rijsthandeltje voortzette, kocht ze bamboe en begon met het maken van eenvoudige bamboemeubelen, die ze eveneens op de markt sleet. Tevens kreeg ze na verloop van tijd een lening voor een huisje van de Grameen Bank, die daarvoor een speciaal programma heeft. Vandaag komt ze haar vijfde lening opnemen, ditmaal van 6.000 taka.

“Drie maanden geleden ben ik getrouwd”, vertelt Mariam trots. Met het enthousiasme van pas bekeerden die het licht hebben gezien, vallen enkele vrouwen haar nu in de rede en onthullen dat Mariam en haar familie hebben geweigerd een bruidschat te betalen aan de familie van haar man. “Ze verdient zelf behoorlijk geld, dus waarom zou ze ook nog eens een bruidschat moeten betalen”, zeggen ze triomfantelijk.

Nog maar enkele jaren geleden zou een dergelijke stap op het conservatieve platteland van Bangladesh, waar de bruidschat een lange traditie kent, ondenkbaar zijn geweest. Mede dank zij de Grameen Bank heeft er ook in dit opzicht een ware revolutie plaatsgehad. Onder invloed van de bank beperken veel jonge vrouwen nu bovendien bewust hun kindertal.

De architect van deze sociale omwenteling op het Bengaalse platteland is professor Muhammad Yunus, een 53-jarige voormalige hoogleraar economie. Een doorsnee bankier in een krijtstreeppak is hij niet. Yunus draagt een lichtbruin shirt zonder das en is, zo te zien, al geruime tijd niet bij de kapper op bezoek geweest.

Maar de onconventionele Yunus kan bogen op resultaten waar veel bankiers jaloers op zijn. In het grote maar van alle luxe gespeende hoofdkantoor in een buitenwijk van de hoofdstad Dhaka somt hij de cijfers op van zijn nu ruim tien jaar oude bank: meer dan 1,8 miljoen arme Bengalen, van wie niet minder dan 94 procent vrouwen, hebben een lening gesloten bij de bank; de Grameen Bank is inmiddels actief in de helft van alle 68.000 dorpen van Bangladesh; ze heeft 12.000 mensen in dienst in 1038 kantoren in het hele land; de bank verstrekt maandelijks nieuwe leningen ter waarde van 35 miljoen dollar. En dan het meest verbazende cijfer van allemaal: 98 procent van de leningen wordt netjes op tijd en met rente terugbetaald.

De filosofie van Yunus is een eclectisch mengsel van kapitalisme en socialisme: vrije ontplooiingskansen en de vrije markt aan de ene kant, sterke sociale en economische controle op het individu via een soort coöperatie aan de andere kant.

Volgens Yunus is het heel goed mogelijk tegen een redelijke rente geld aan armen te lenen. “Geef een arm iemand een eerlijke kans en hij zal zich aan de armoede ontworstelen. De mensen kunnen voor zichzelf zorgen, ze zijn creatief genoeg. Wij geloven dat armoede wel degelijk kan worden uitgeroeid”, betoogt hij met vuur.

Toen hij halverwege de jaren zeventig met dergelijke denkbeelden aanklopte bij commerciële bankiers, lachten die hem vierkant uit. Die vonden het vanzelfsprekend dat arme mensen hun lening niet zouden terugbetalen. Bovendien hadden die immers geen onderpand. “De mentaliteit van het bankwezen is volstrekt verkeerd”, foetert Yunus. “Ze willen alleen aan de rijken lenen, terwijl die in de praktijk minder kredietwaardig zijn dan de armen. In dit land betalen juist veel rijken hun lening niet terug.”

Yunus, die gedesillusioneerd was geraakt met de academische wereld die voor de werkelijke problemen geen zinvolle recepten in huis had, zette echter door. Na experimenten op kleine schaal in dorpen bij zijn toenmalige woonplaats Chittagong, waarbij hij uit eigen zak leninkjes verstrekte, vond hij ten slotte een bank bereid om geld ter beschikking te stellen, op voorwaarde dat Yunus zich persoonlijk garant stelde voor terugbetaling. Hoewel de schulden volgens afspraak werden afgelost hield de scepsis bij de banken aan. Daarom richtte Yunus ten slotte, met hulp van de staat en enkele donoren, een eigen bank op. Die opende in 1983 haar deuren.

Elke plattelander die minder dan 0,25 hectare bezat was er welkom. De keus van de projecten was aan de mensen zelf. De meesten besloten er een koe of enkele kippen voor aan te schaffen, wat ongepelde rijst, een weefgetouw of materiaal voor het vervaardigen van manden dan wel borduurwerk. Een enkeling kocht een stukje land. De gemiddelde hoogte van de lening was omgerekend 150 gulden.

De opzet van Yunus was de gemeenschap zoveel mogelijk te betrekken bij de leningen. Iemand die wilde lenen moest vier anderen vinden die het project van de aspirant-debiteur ondersteunden. Ook moesten die er op toezien dat de lening ordentelijk werd terugbetaald. Wanneer dat mislukte, zouden de vier anderen er ook schade van ondervinden want hun kans om zelf een lening te krijgen zou dan verminderen. Als de debiteur in de problemen raakte, schoten daarom de anderen vaak financieel te hulp.

Mensen die een lening afsloten werden tevens verplicht een aandeel van minimaal 100 taka (vijf gulden) te kopen in de Grameen Bank en vervolgens één taka (een stuiver) per week te sparen. Door deze maatregelen is inmiddels 90 procent van de aandelen van de Grameen Bank in handen van de Grameen-cliënten zelf. In Grameen-jargon is er trouwens geen sprake van cliënten maar van leden. “De mensen vinden het niet erg om 20 procent rente per jaar te betalen, wanneer ze daar zelf later ook weer van profiteren”, aldus Yunus. Met hun spaargeld hebben de leden een buffer opgebouwd voor moeilijke tijden.

De stichters van de bank beseften dat ze om succes te bereiken zo dicht mogelijk bij de mensen moesten komen. Daarom werden er naast echte kantoren talrijke kleine centra opgericht in hutjes, waar de cliënten voor overleg terecht konden. Yunus en zijn mensen moesten dikwijls als Brugman praten om de armen ervan te overtuigen dat het geen grap was. “Veel armen konden gewoon niet geloven dat we ze zomaar een lening wilden geven”, herinnert Yunus zich.

Aanvankelijk was de bedoeling om leningen te verstrekken aan evenveel mannen als vrouwen, op zichzelf al een ambitieuze doelstelling in een islamitisch land waar vrouwen zelden in een bank opdoken. Na een tijdje stelde Yunus echter tot zijn verrassing vast dat het sociale rendement van leningen aan vrouwen groter was dan dat van die aan mannen. “Wanneer een man wat geld verdiende, gaf die dat meestal uit aan zijn eigen pleziertjes buitenshuis. De vrouwen, die doorgaans meer te lijden hadden onder armoede dan de mannen, gebruikten het extra geld echter voor hun kinderen of voor verbeteringen aan het huis. Daarom besloten we ons nog sterker op vrouwen te richten.”

Dat stuitte in de beginjaren op veel verzet bij de mannen, in het bijzonder bij de mullahs, de lokale geestelijken. Die spraken de vrouwen die interesse toonden in een lening bij de Grameen Bank streng toe. Schreef de islam immers niet voor dat vrouwen zoveel mogelijk binnenshuis moesten blijven? De Grameen Bank maakte deel uit van een samenzwering om islamitische vrouwen tot het christendom te bekeren, verklaarden enkele mullahs met grote stelligheid. Er zat joods geld achter de Grameen Bank, wisten anderen.

De blinde mullah Hafaz Nazimuddin van het dorpje Batulia, niet ver van Kalampur, heeft het er nog steeds moeilijk mee. Terwijl het halve dorp meeluistert op een door bananeplanten, palmen en bamboe omringd erfje, wil de mullah na enige aarzeling wel toegeven dat de Grameen Bank een zekere welvaart heeft gebracht in zijn dorpje. “Maar in mijn geest worstel ik er nog mee, het is niet in overeenstemming met de islam wanneer vrouwen naar een bank gaan en zich steeds in het openbaar vertonen.” Hij weet echter dat hij het pleit heeft verloren: bijna alle volwassen vrouwen uit Batulia hebben een lening afgesloten bij de Grameen Bank in Kalampur. “Misschien wil God het ook wel zo”, vervolgt hij bedachtzaam. “De vrouwen hoeven nu in elk geval niet meer bedelend over straat te gaan.”

Extreem linkse mensen in Bangladesh verfoeiden de Grameen Bank al evenzeer. Zij zagen er een imperialistische samenzwering in, die de arme massa's tot kleine kapitalisten wilde maken. De enige remedie was volgens hen om de Grameen Bank te vernietigen. Herhaaldelijk werden zo de afgelopen jaren kantoren van de bank in de as gelegd. Sinds de ondergang van de Sovjet-Unie is het echter een stuk rustiger geworden aan dit front.

Na meer dan tien jaar zijn de eerste gegevens over de effecten op langere termijn van de activiteiten van de Grameen Bank beschikbaar. In dit verband is het nuttig te weten dat ongeveer 55 miljoen mensen in Bangladesh leven beneden de absolute armoedegrens van 1800 caloriën per dag. Uit onafhankelijk onderzoek bleek dat 48 procent van de debiteuren van de Grameen Bank van tien jaar geleden zich duidelijk boven de armoedegrens heeft uitgewerkt, 27 procent zit zo'n beetje tegen die grens aan en 25 procent heeft geen serieuze verbetering weten te bereiken. Volgens Yunus was een groot deel van deze laatste groep vastgelopen om gezondheidsredenen. Ook bleek dat veel alleenstaande vrouwen niet in staat waren vooruitgang te boeken. De aanwezigheid van een mannelijke partner was onontbeerlijk.

Nu het model van de Grameen Bank voor het platteland duidelijk wortel heeft geschoten en de bank zichzelf voor een belangrijk deel kan bedruipen, zoekt Yunus naar wegen om zijn model tot de steden uit te breiden. Voorts hoopt hij het leven van de plattelandsbevolking verder te verbeteren met nieuwe programma's. Zo bezoekt hij later deze maand het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam om te overleggen over betere baby-voeding.

In Bangladesh geldt Yunus inmiddels als een held. Vooral de plattelanders adoreren hem. Verscheidene keren is hij benaderd voor een ministerschap, waarvoor hij bedankte. Hij heeft tal van onderscheidingen ontvangen.

Het internationale ontwikkelingscircuit volgde de Grameen Bank aanvankelijk met scepsis. De Wereldbank hield Yunus voor dat er weinig heil viel te verwachten van zulke kleinschalige projecten. Grote infrastructuurprojecten waren nuttiger. De Wereldbank is intussen op haar schreden teruggekeerd en heeft zojuist twee miljoen dollar ter beschikking gesteld voor een ambitieus programma van de Grameen Trust. Deze stichting beoogt het Grameen-model naar andere landen te exporteren. In het hoofdkwartier in Dhaka worden mensen uit de hele wereld getraind. Vorig jaar werden zo 600 buitenlanders vertrouwd gemaakt met de werkwijze van Grameen.

Ook uit het Westen bestaat er veel belangstelling. De Amerikaanse president Bill Clinton heeft eind vorige jaar een voorstel ingediend bij het Congres om 382 miljoen dollar uit te trekken voor hulp aan achtergebleven stedelijke en plattelandsgebieden. Clinton verheelde niet dat hij veel had geleerd van “een opmerkelijke man Muhammad Yunus geheten, die mij vertelde hoe hij via de Grameen Bank tegen marktrente leningen verstrekte aan arme dorpsvrouwen in Bangladesh en hoe ruim 95 procent de leningen had terugbetaald”.

In een vraaggesprek was Clinton eerder nog een stapje verder gegaan: “Ik vind dat Muhammad Yunus een Nobelprijs moet worden verleend. Hij zorgde ervoor dat ondernemerschap werkte. Hij heeft onafhankelijkheid bevorderd, niet afhankelijkheid.”

    • Floris van Straaten