Gezag aangetast

EEN PARLEMENTAIR onderzoek naar de opsporingsmethoden die justitie en politie hanteren. Dat is de oogst van het vannacht afgesloten en in totaal veertien uur durende debat in de Tweede Kamer naar aanleiding van het rapport over het opheffen van het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht. De eerstverantwoordelijke ministers voor het IRT-debâcle kunnen verder, maar voor de Amsterdamse hoofdrolspelers zal de zaak niet zonder gevolgen blijven. De scheidslijnen in de Tweede Kamer waren even duidelijk als vertrouwd: de coalitiepartijen die hun ministers in bescherming namen en de oppositie die met een vergeefs beroep op staatsrechtelijke zuiverheid het functioneren van dezelfde ministers aan de orde stelde. De ministers Hirsch Ballin (justitie) en Van Thijn (binnenlandse zaken) konden ongeschonden naar huis. Hoewel, ongeschonden?

De conclusies van het rapport-Wierenga dat twee weken geleden werd gepresenteerd, waren schokkend en onthullend. Ontluisterend was vervolgens de eerste reactie van de zijde van het kabinet op de bevindingen van de onderzoekscommissie. Hoewel in het rapport de Amsterdamse hoofdofficier van justitie, de procureur-generaal, de hoofdcommissaris van politie en een commissaris ernstige verwijten werden gemaakt, concludeerden minister-president Lubbers en minister Van Thijn dat dit geen gevolgen voor de betrokkenen zou hoeven te hebben. Want, zoals premier Lubbers in zijn inmiddels befaamd geworden bewoordingen stelde, er is een verschil tussen fouten maken en fout zijn.

HET IS OP ZICHZELF verheugend dat Lubbers gisteren deze vreemde maatstaf ruiterlijk heeft teruggenomen. Want de consequentie van zijn woorden was dat tussentijds vertrokken bewindslieden als Braks, Brokx, Van Eekelen en Van der Linden met terugwerkende kracht te horen kregen dat zij dus blijkbaar 'fout' waren geweest. Voor de direct betrokken Amsterdamse functionarissen was de uitkomst van het debat minder gunstig. Nadat het voltallige kabinet zich vorige week vrijdag over de IRT-affaire had gebogen was de door Lubbers en Van Thijn verleende 'vrijspraak' van de dag ervoor reeds genuanceerd tot functioneringsgesprekken. Tijdens het debat van gisteren is het oordeel verder verhard. Minister Hirsch Ballin stelde onomwonden dat het rapport zo ernstig is dat het niet zonder gevolgen kan blijven.

De logische vervolgvraag luidt hoe het gesteld is met de politiek verantwoordelijken. Van het begin af aan was duidelijk dat deze vraag niet op een zakelijke wijze aan de orde kon worden gesteld. Zodra in Nederland bewindslieden in het geding zijn, treedt er, ingegeven door crisisdreiging, een vorm van verkramping op. Dan moet het principe van de ministeriële verantwoordelijkheid het maar al te vaak afleggen tegen het coalitiebelang.

EEN DERGELIJKE HYPOTHEEK rustte ook op het IRT-debat. Aan de vooravond van de behandeling van het rapport-Wierenga waarschuwde het CDA de coalitiepartner al de positie van minister Hirsch Ballin niet ter discussie te stellen op straffe van een soortgelijke behandeling van minister Van Thijn. En zo verliep het debat gisteren dan ook.

De positie van minister Van Thijn in de IRT-zaak is een bijzondere. Als burgemeester van Amsterdam was hij soms indirect, dan weer direct betrokken bij de moeizame gang van zaken rond het rechercheteam. Als opvolger van de plotseling overleden minister Dales van binnenlandse zaken kwam hij met zijn eigen verleden in aanraking. Het leidde in het debat van gisteren tot de bizarre situatie dat twee Van Thijns tegenover de Tweede Kamer verantwoording aflegden: de een in zijn hoedanigheid van ex-korpsbeheerder, de ander in die van minister van binnenlandse zaken. Ronduit potsierlijke vormen nam deze bestuurlijke gespletenheid aan toen Van Thijn als minister van binnenlandse zaken een oordeel ging vellen over het optreden van burgemeester Van Thijn.

GEMAKKELIJKER AANSPREEKBAAR was minister Hirsch Ballin. Onder zijn eindverantwoordelijkheid is de interregionale samenwerking uit de hand gelopen. Maar kan en moet hem dit ook worden aangerekend? Hirsch Ballin heeft gelijk als hij zegt dat het openbaar ministerie geen buitendienst van het ministerie van justitie is. Maar ondanks die bijzondere status, als het er op aan komt berust de formele verantwoordelijkheid toch bij hem. Anders gezegd: waar het openbaar ministerie heeft gefaald, heeft ook de minister van justitie gefaald. Toch is hij het die de Amsterdammers die in de IRT-kwestie fouten hebben gemaakt hierop binnenkort zal aanspreken.

Het kan allemaal, maar of deze handelwijze overtuigend is, blijft twijfelachtig. Het gezag van twee bewindslieden is als gevolg van de IRT-affaire ernstig aangetast. Een parlementair onderzoek als uitweg - dat oogt zo aardig, maar de werkelijkheid is een politieke demontage op termijn.