Gevlei vanuit de windmolen helpt Indonesiërs niet verder

De goede betrekkingen bestendigen. Die opdracht zullen minister-president Lubbers en minister Kooijmans (Buitenlandse Zaken) ongetwijfeld met grote letters in hun agenda hebben geschreven voor hun bezoek aan Indonesië. De band tussen de voormalige kolonie en het moederland moet weer worden aangehaald sedert 'Jakarta' twee jaar geleden, in maart 1992, besloot de officiële hulprelatie met Nederland te verbreken. De Nederlandse kritiek op de schietpartij in Dili, waarbij Indonesische soldaten meer dan honderd demonstrerende Oost-Timorezen hadden gedood, was de Indonesische autoriteiten immers in het verkeerde keelgat geschoten.

Tal van bewindslieden zijn Lubbers en Kooijmans reeds voorgegaan om de schade van het gewraakte besluit zoveel mogelijk te beperken. Zo hebben staatssecretaris Van Rooy en de ministers Van den Broek en Ritzen haastig getracht de contacten op het terrein van handel, landbouw, onderwijs, wetenschap en cultuur weer leven in te blazen. Ook is er een speciale vereniging opgericht, het 'Forum Nederland-Indonesië', om de dialoog tussen beide samenlevingen te bevorderen. Ten slotte deed afgelopen januari een 'zware' parlementaire delegatie onder leiding van Kamervoorzitter Deetman Indonesië aan. Maar ondanks alle inspanningen aan Nederlandse zijde is het succes tot nog toe maar matig.

Het moet deze keer anders, zal de minister-president hebben gedacht. Ditmaal ging er geen delegatie uit het Nederlandse bedrijfsleven mee maar leek de hoop met name gevestigd op een middel van een hoog symbolisch gehalte: een staatsbezoek van koningin Beatrix wanneer Indonesië in 1995 vijftig jaar onafhankelijkheid gedenkt. Het heeft er alle schijn van dat de premier vooral is afgereisd om een politiek gebaar te maken teneinde een streep onder de verstoorde relatie te kunnen zetten. “Zo'n verzoenend koninklijk bezoek zou zelfs op die mensenrechtensituatie een goed effect kunnen hebben”, meent historicus Jan Bank (NRC Handelsblad, 2 april).

Een volwaardige relatie tussen beide landen - mocht het daar ooit weer van komen - kan echter alleen standhouden indien men elkaar met open vizier tegemoettreedt. En hier wringt de schoen. Juist met betrekking tot Indonesië menen velen dat grote omzichtigheid is geboden. Nederland - en waar is de kennis over Indonesië nou groter dan hier? - dient ernstig rekening te houden met de gevoelens van de mensen aldaar, omdat die nou eenmaal geheel andere omgangsvormen kennen, is de gedachte.

De vraag is of deze redenering klopt. Indonesiërs mogen onder elkaar dan misschien tolerant zijn, de regering is dit in haar relatie tot de burgers beslist niet. Vooral in de buitengebieden als Atjeh en Irian Jaya alsook in Oost-Timor, kortom daar waar enkel het leger de dienst uitmaakt, is al jarenlang een patroon van marteling en executie waarneembaar.

Maar ook jegens buitenlanders windt men er het liefst geen doekjes om, nog afgezien van het nogal krasse besluit om eenzijdig de hulprelatie met Nederland te verbreken. Veelzeggend in dit verband is de reactie op Van Mierlo toen deze als lid van genoemde parlementaire delegatie een journalist van het Indonesische weekblad Editor te woord stond. Van Mierlo liet desgevraagd weten dat het “beslist niet onze taak is om kritiek te leveren op de politieke situatie in Indonesië”. Het bewuste interview verscheen op 20 januari onder de kop “Rayuan dari Kincir Angin”, oftewel “Gevlei vanuit de Windmolen”. Een dergelijke kop - in vette letters afgedrukt - laat aan duidelijkheid weinig te wensen over.

Ook uit een andere hoek kwam destijds een niet mis te verstaan geluid. Toen de Nederlandse parlementariërs namelijk een uurtje (!) hadden vrijgemaakt voor een onderhoud met vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties over de situatie van de rechten van de mens, weigerden prominente Indonesische mensenrechten-activisten als Buyung Nasution en Mulya Lubis op de uitnodiging in te gaan. Onomwonden hekelden zij het besloten karakter van het beoogde gesprek en zeiden alleen een ontmoeting te willen indien ook de pers daarbij aanwezig zou zijn.

Wordt het, om met Van Lennep (NRC Handelsblad, 15 januari) te spreken, niet eens hoog tijd dat ook wij gewoon zeggen wat we willen en bedoelen? Of is het gevlei over 'de goede betrekkingen' soms het enige wat wij willen en bedoelen? In dat geval geeft men de Indonesische autoriteiten alle gelegenheid om - met een glimlach - ook het huidige bezoek enkel in eigen voordeel uit te leggen.