Gehavende coalitie wil geen bloed verliezen

DEN HAAG, 8 APRIL. Vanochtend omstreeks drie uur velde D66-fractievoorzitter Van Mierlo een pijnlijk eindoordeel: “Het wordt in dit land steeds moeilijker om verantwoordelijken aan te wijzen voor iets dat misgaat.”

Na een veertien uur durend debat in de Tweede Kamer over de IRT-affaire was duidelijk dat CDA-minister Hirsch Ballin (justitie) en zijn PvdA-collega Van Thijn (binnenlandse zaken) kunnen aanblijven. Er zullen koppen rollen, maar dan in Amsterdam - de politieke hoofdpersonen blijven buiten schot.

Centraal in het debat stond wel de vraag wie verantwoordelijk kan worden gesteld voor het onverhoedse besluit in december vorig jaar van de Amsterdamse justitie- en politie-autoriteiten om het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht op te heffen: Hirsch Ballin en/of Van Thijn en/of de diverse hoofdstedelijke functionarissen.

De commissie-Wierenga, die in januari opdracht kreeg om uit te zoeken wat de redenen waren voor het opheffen van het Amsterdamse superrechercheteam, concludeerde op 24 maart dat die opheffing helemaal niet nodig was geweest. Het onderwerp kreeg zo vlak voor de Tweede-Kamerverkiezingen op 3 mei een zware politieke lading. Van Mierlo zei daar niet blij mee te zijn: “De oppositie die op dit moment de vertrouwensvraag stelt, laadt de verdenking op zich bezig te zijn met een actie beschadiging. Maar dat is niet het geval. De publieke zaak is de dupe.”

De uitgangspositie van de partijen in het debat was nog redelijk overzichtelijk. Op het eerste gezicht ging het om de klassieke opstelling van de regeringsfracties CDA en PvdA rond hun respectieve bewindslieden met tegenover zich de oppositiepartijen, die mochten proberen een bres te schieten in de verdediging. Maar de komende verkiezingen werkten inderdaad in verschillende opzichten destabiliserend: aan de ene kant moest de schijn vermeden worden dat “de hoge heren elkaar de hand boven het hoofd houden”, zoals Wierenga vorige week zei. Aan de andere kant werd duidelijk dat de toch al zwaar gehavende regeringspartijen zich in deze periode geen bloedverlies kunnen veroorloven.

De positie van Hirsch Ballin was duidelijk de zwakste van beide politieministers: hij is als minister van justitie formeel verantwoordelijk voor de bestrijding van de criminaliteit en voor het beleid van het openbaar ministerie in dat kader. Dus werd hij het lijdend voorwerp van de verwoede aanvallen van de oppositie, terwijl ook de coalitiepartijen 'kritische vragen' stelden. Om de PvdA te weerhouden van onbezonnen acties tegen Hirsch Ballin had de CDA-fractie op voorhand in bedekte termen gedreigd met een aanval op Van Thijn. En zo hielden de regeringspartijen elkaar gedurende het debat in een weinig gerieflijke houdgreep.

Pag.3: Terugtrekkende beweging in kabinet over schuld in affaire

De bewindslieden deden ondertussen al het mogelijke om directe verantwoordelijkheid voor het IRT-debâcle te camoufleren. Hirsch Ballin, die zich de afgelopen jaren sterk heeft gemaakt om het OM meer in zijn greep te krijgen, betoogde dat dit apparaat zeker “geen buitendienst” is van zijn departement. Niet hij, maar de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck had hoofdofficier Vrakking moeten weerhouden van onbeheerst optreden.

De regering bleek tijdens het debat een terugtrekkende beweging te hebben gemaakt, vergeleken met de reactie twee weken geleden van premier Lubbers en Van Thijn. Toen verwierpen zij nog de harde conclusies die werden getrokken over de Amsterdamse kopstukken hoofdcommissaris Nordholt, commissaris Van Riessen, hoofdofficier Vrakking en procureur-generaal Van Randwijck.

Het rapport-Wierenga beschrijft hoe door naijver en competentiedrift gedreven Amsterdamse politie- en justitie-functionarissen deze elite-eenheid op 7 december vorig jaar per persbericht liquideerden. Daarbij werd als reden aangevoerd dat het IRT zich had bediend van een onwettige opsporingsmethode. Volgens de commissie was die opsporingsmethode - het inzetten van een informant bij het oprollen van een misdaadorganisatie - wel in orde. Het kabinet koos aanvankelijk partij voor de 'Amsterdamse' visie. De achtergrond daarvan was de vrees dat de positie van minister Van Thijn in het geding kon komen omdat hij tot voor kort als burgemeester van Amsterdam samen met Nordholt en Vrakking verantwoordelijk was voor de politie. Men vreesde voor een domino-effect, waarbij de ene functionaris de ander zou kunnen meeslepen.

Hirsch Ballin kwam gisteren pardoes met een standpunt dat totaal afweek van het oordeel dat het kabinet nog geen twee weken geleden formuleerde: hij nam alle conclusies van Wierenga integraal over. Tot verbazing van D66-woordvoerder Kohnstamm voer de minister hard uit tegen de Amsterdamse politie- en justitietop. “Ten onrechte hebben leidende figuren in de Amsterdamse politie zich zozeer laten meeslepen door hun eigen oordelen en vooroordelen over het functioneren van een afgezonderd interregionaal team op eigen erf, dat het ernstig schortte aan een loyale uitvoering van de door het bevoegde gezag en beheer genomen beslissingen”, aldus de minister.

Van Thijn moest dus een nieuwe verdedigingslinie construeren toen tijdens het debat CDA-fractiespecialist Van der Heijden op de zware verantwoordelijkheid wees die minister Van Thijn als burgemeester van Amsterdam had voor het personeelsbeleid binnen het korps. Dat leidde ertoe dat Van Thijn veel “geestelijke acrobatiek” nodig had, zoals hij het noemde, om de uitgang van het IRT-labyrint te vinden. Zo trad hij op als minister van binnenlandse zaken maar ook als (voormalig) korpsbeheerder van het Amsterdamse politiekorps. Daarbij had hij in zijn hoedanigheid van minister zijn alter ego van oud-burgemeester van Amsterdam verzocht om een “ambtsbericht inzake het Interregionaal Rechercheteam”. Toen hij eerst een toelichting gaf op het ambtsbericht dat hij vervolgens van commentaar voorzag, riep VVD-woordvoerder Dijkstal vertwijfeld uit: “We staan nu te praten met een korpsbeheerder die geen lid is van dit parlement en ook niet van de regering.” Het uiteindelijke oordeel dat Van Thijn-de-minister velde over Van Thijn-de-burgemeester kwam er op neer dat hij de burgemeester op vier punten lof toe zwaaide maar op drie punten kritiseerde. Kohnstamm, die klaagde “licht schizofreen” te worden van het betoog, concludeerde dat de burgemeester kennelijk met 4-3 gewonnen had.

Van Thijn had ondertussen het optreden van de Amsterdamse driehoek met kracht verdedigd, waar Hirsch Ballin juist fiolen van toorn had uitgestort. De door een jet-lag geplaagde premier Lubbers, net terug uit Jakarta, mocht vervolgens een spagaat demonstreren met de bewering dat de sterk uiteenlopende uitlatingen van zijn beide collega's in wezen op hetzelfde neerkwamen. En in reactie op Van Mierlo's klacht dat bewindslieden steeds minder vaak verantwoordelijkheid nemen voor eigen falen, zei Lubbers dat nog nooit zoveel bewindspersonen zijn afgetreden als gedurende zijn premierschap.

De regeringspartijen hielden de rijen op het cruciale moment gesloten. Troostprijs voor de oppositie is een parlementair onderzoek naar de grenzen van de opsporingsmethoden van de politie.