Gefeliciteerd, het is een baby; De boosaardige wereld van cartoonist Chas Addams

'Goed zo, en nu nog even glimlachen,' zegt Leonardo da Vinci tegen Mona Lisa op een cartoon van Charles Addams. Hij werd bekend door zijn griezelige Addams familie. Op een tentoontoonstelling van Addams' werk in New York wordt vaak hard gelachen.

Chas Addams in New York Public Library, tot 7 mei.

Chas Addams is, 76 jaar oud, in 1988 gestorven. De laatste tekening die in een onlangs verschenen selectie uit zijn werk is opgenomen, gepubliceerd een jaar na zijn dood, vertoont een auto met aan het stuur een hert dat op zijn achterbumper een sticker heeft geplakt: 'Toeter als u in reincarnatie gelooft.'

In de New York Public Library is het werk van Addams tot zeven mei tentoongesteld, veel originelen, documenten, omslagen van The New Yorker, een volledig overzicht. Daar klinkt niet alleen het gebruikelijke voetgeschuifel van de kunstliefhebbers; vaak wordt er hard gelachen. Poetisch en welwillend zou je kunnen zeggen dat daarmee degenen die in reincarnatie geloven op deze manier laten weten dat ze hun overtuiging bewezen hebben gezien: Addams leeft.

Ik stond naast een mevrouw van een jaar of zestig, een geletterde dame in goeden doen zoals van haar hele wezen afstraalde. We keken naar de cartoon met het onderschrift 'U bent in de verkeerde cel eerwaarde. Deze hier moet maar een paar dagen zitten voor een verkeersovertreding' en we moesten hard lachen. Lag dat aan ons? Ik keek rond. Niemand daar was jonger dan veertig, misschien zelfs vijftig. Allemaal mensen die met grote aandacht van tekening naar tekening liepen, bij iedere voorstelling opnieuw bereid om in de lach te schieten, wat ze ook vaak deden. Reincarnatie heeft haar beperkingen. Met twee of drie generaties is het meestal bekeken.

Voor de Nederlandse beschaving is de cartoon een genre van na de oorlog - de Tweede; niet de Koude. Voor de oorlog waren er wel cartoons maar die werden niet zo genoemd. Jo Spier heeft klassieke tekeningen gemaakt die nog altijd werken*, en verder had je voor de Eerste Wereldoorlog het Stuiversblad vol humor die verre van politiek correct was - veel zendelingen in kookpotten - en in het interbellum De Humorist en De Lach met grappen waarvan je lachspieren nu zouden verstijven.

De cartoon is na 1945 gekomen, met The Saturday Evening Post, Collier's en The New Yorker. Wij wilden ook zoiets hebben en uit die wens is Mandril ontstaan, een mooi blad maar er was niet genoeg publiek voor. De cartoon heeft zich daarna gehandhaafd in een paar bewonderenswaardige bruggehoofden bemand door Peter van Straten in Het Parool, Jaap Vegter in Vrij Nederland (naar de vorm een strip maar met hoog cartoongehalte), Benoit en Kamagurka maar die komen uit Belgie. Met andere woorden: de cartooncultuur heeft hier geen wortel geschoten.

Misschien komt het daardoor dat de bezichtiging van deze volledige Addams een Nederlander, althans mij, het gevoel gaf dat ik door een compartiment afgesloten geschiedenis liep. Mensen die verschrikt kijken naar een waslijn waaraan een hansop met twee mouwen en vier broekspijpen hangt. Een verpleegster van een kraamkliniek die tegen een bijzonder onderkruipsel van een man zegt: 'Gefeliciteerd, het is een baby.' Twee eenhoorns die beteuterd de Ark van Noach nakijken. Leonardo da Vinci die tegen Mona Lisa zegt: 'Goed zo, en nu nog even glimlachen.' Een kelner, tegen de enige mens in een restaurant dat verder vol kikvorsen zit: 'Dat is de eerste keer dat ik hier iemand over een vlieg in zijn soep hoor klagen.' Behalve dat ik er weer om moest lachen vroeg ik me af wanneer ik ze voor het eerst had gezien. Lang geleden.

Familie Griezel

Addams dankt zijn latere roem voornamelijk aan de familie Griezel die zich in het met spinrag behangen victoriaanse herenhuis vermaakt met alles wat gewone mensen 'eng' vinden. In de eerste cartoon van een lange reeks debuteert de vrouw des huizes met de bediende, dan nog een Boris Karloff-achtig type. Die tekening is uit 1939. Langzaam groeit de familie, voortdurend met nieuwe variaties op hetzelfde thema en zo ontwikkelt dit macabere gezelschap zich tot de Addams industrie. Dit griezelwerk heeft hem zijn grootste faam bezorgd; het is ook de gemakkelijkste kant van zijn talent, de meeste voorspelbare, en dus niet de oorzaak van de beste lach. Bovendien maakt het humor-griezelen een gedateerde indruk.

De vredestijd van 1994 biedt veel meer: er zijn nog maar weinig kanten van het dagelijks leven die geen toegevoegde bedoeling tot schrikaanjagendheid hebben. Bij de reclame voor een kettingzaag moet je al aan een seriemoordenaar denken en een simpele doe-het-zelf boormachine is pas goed als we al borend kunnen spelen dat we eigenlijk een uzi hanteren. Het is jammer dat Addams geen skinheads in zijn cartoons heeft laten optreden; die heeft hij misschien niet meer bewust meegemaakt. Van hem hebben we alleen het kereltje dat uit zijn scheikundedoos een drankje heeft gebrouwen waarmee hij zich in een Hyde kan veranderen maar als zijn moeder hem voor de boterham met hagelslag komt roepen is hij weer de gewone kleine Jekyll.

In het retrospectief zijn die boosaardige cartoons de beste gebleven. Navertellen kan niet, zoals met niets dat goed is verbeeld. Een van zijn kundigheden is het tekenen van verbaasde, verblufte en onschuldige gezichten. Verder - wat bij de cartoonist minder opvalt - is hij een groot tekenaar van interieurs, huizen, bomen, omgevingen.

De tentoonstelling is die van een levenswerk, en niet dat van de eerste de beste. Dat op zichzelf al maakt het kijken de moeite waard. Maar al drentelend, herkennend, vaak lachend, begon ik te vermoeden dat de kunstenaar bij een tijd hoort die vriendelijker, naiever was dan de onze. Niet dat er toen minder werd gevochten en gemoord. Het verschil is - veronderstel ik nu - dat de publiciteit, 'de wereld van de media' toen wat eenvoudiger in elkaar zat: nog niets was aangetast door de inflatie van rauwheid, zelfbewust gepats, de gelijkschakeling van de politieke correctheid, de geprofessionaliseerde wedstrijd in onbeschaamdheid waardoor de geinteresseerde lezer en kijker na het einde der geschiedenis ieder ogenblik wordt overvallen. Daardoor krijgt het werk van Chas Addams een goedaardige, zo niet een goeiige allure.

De voorlaatste tekening uit de eerder genoemde selectie laat een enorm kasteel zien, een bouwwerk waaraan het aan niets vervaarlijks ontbreekt. Op de toren de slotheer en de slotvrouwe: 'Te denken dat we al die moeite hebben gedaan, en er is geen vijand komen opdagen.' Een ernstige exegeet zou antwoorden: 'oNee. Er was niemand die er ook maar een seconde aan heeft gedacht, zijn semtex voor die burcht te gebruiken.' Dat humorloze explosief is niet van zijn tijd.

The World of Chas Addams. Uitg. Alfred A. Knopf. 306 blz. Prijs fl.47,60 *Het plaatje is onvindbaar; daarom de beschrijving. Een vader zit met zijn zoontje in het circus. In de piste is een tafeltje neergezet, daarop staat met de slurf omhoog een olifant. Op de slurf staat, de neus naar beneden, een zeeleeuw. Die balanceert op zijn staart een bal met daarop een wandelstok. Vader: 'En, hoe vind je dat, Pietje?' Pietje: 'Een sterk tafeltje vader.'

    • H.J.A. Hofland