De vormgeving van crematoria

Jong Holland verschijnt vier maal per jaar. Abonnementen fl.60,-, losse nummers fl.16,-Kop: Sneller, verder, hoger, hallelujah!

'Een Glossy Magazine met veel kleur en weinig tekst worden we voorlopig niet, en dat willen we ook niet,' schreef de redactie van Jong Holland twee jaar geleden, toen het blad in zijn voortbestaan werd bedreigd. Voorwaar, een moedig standpunt in een land waar de kunsten steeds meer worden geregeerd door de macht van het getal: bezoekersaantallen, kijkdichtheid, abonnees.

Kleur is in het eerste nummer van de tiende jaargang van dit 'Tijdschrift voor kunst en vormgeving na 1850', dan ook alleen te vinden op het omslag. Afgebeeld is een detail uit een schilderij van Willem de Kooning, de Hollandse Amerikaan die dit jaar negentig is geworden. Als 'bescheiden hommage' geven twee Amerikanen, de schilder Jonathan Lasker en de kunsthistorica Judith Wolfe, hun visie op zijn werk. Lasker bespreekt twee contrasterende groepen schilderijen die hem beide even dierbaar zijn: de Women series uit de jaren vijftig en het late werk dat hij respectievelijk als 'buitengewoon agressief' en 'zeer passief' karakteriseert. Zijn persoonlijke beschrijving is veelzeggend voor zijn eigen schilderijen waarin de confrontatie van uitersten een belangrijke rol speelt.

Wolfe zoekt naar overeenkomsten tussen de symbolistische en cartoonachtige tekeningen die Rotterdamse Wim voor zijn vertrek naar Amerika in 1926 maakte, en het latere werk van Bill de Kooning. De kennismaking met deze onbekende tekeningen van De Kooning die naar de Verenigde Staten emigreerde met de ambitie om de nieuwe Norman Rockwell te worden, is verrassend. Maar zowel Wolfe's sociaal-psychologisch getinte interpretaties, als de formele overeenkomsten die zij ziet tussen deze tekeningen en de latere schilderijen, zijn aanvechtbaar. Ook voor Carel Blotkamp, hoogleraar kunstgeschiedenis en vanaf het begin redactielid van Jong Holland, ging Wolfe hierin soms te ver, zoals zij trouwhartig in een noot vermeldt. Wolfe's artikel zegt iets over de verschillen tussen Amerikaanse en Nederlandse kunsthistorische onderzoekers.

Twee andere artikelen in dit nummer gaan over de bouw van crematoria in Nederland, vooral over twee niet-uitgevoerde ontwerpen van W.M. Dudok en Gerrit Rietveld uit 1941. In het artikel over Dudok moet men zich wel door een rijstebrijberg van feiten, citaten en noten worstelen. In 1940 was lijkverbranding in Nederland wettelijk nog niet toegestaan, in Duitsland was het al lang een normale zaak. De bouw van crematoria was in de oorlogsjaren dus een politiek gevoelige kwestie. Toch schreef de Haagse afdeling van de Vereeniging voor Facultatieve Crematie in 1941 een prijsvraag uit waarvoor Rietveld een ontwerp inzond. Door het ontbreken van een 'typologische vormgeving' voor het ritueel van de crematie, worstelde de jury met de vraag hoe een crematorium er uit moest zien. Een symbolistisch geladen ontwerp kreeg tenslotte de eerste prijs - Rietvelds zakelijke ontwerp viel al in de eerste ronde af.

Een groot lezerspubliek zal Jong Holland nooit trekken. Dat is jammer, want al zijn de artikelen wat droog en gedetailleerd, de onderwerpen zijn interessant genoeg.

    • Din Pieters