De einder is altijd blauw; Henk van Woerden over Zuid-Afrika en de verscheurdheid van de emigrant

“Het is volledig autobiografisch. Ik heb er niet veel bij hoeven verzinnen. Het was alleen een kwestie van vormgeven.” De schilder-schrijver Henk van Woerden debuteerde vorig jaar met 'Moenie kyk nie', een roman over een Nederlands gezin dat in de jaren vijftig emigreert naar Zuid-Afrika. “Dat wortelen van ons wilde niet zo lukken.” Van Woerden won de Geertjan Lubberhuizen prijs en werd deze week genomineerd voor de Librisprijs.

Henk van Woerden: Moenie kyk nie. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 158 blz. Prijs ƒ 29,90. Van Woerden exposeert van 9 april tot 8 mei in Galerie Waalkens, Finsterwolde. Za. en zo. 13-18u, en volgens afspraak.

“Waarom is er nooit gevraagd waarom zoveel Nederlanders in de jaren vijftig zijn geëmigreerd? Hoe zijn ze opgenomen in hun nieuwe omgeving? En waarom faalden ze? We zouden daar veel van kunnen leren voor onze eigen omgang met onze allochtonen. Zij hebben voor een groot deel dezelfde motieven gehad om hier te komen als de Nederlanders die emigreerden.”

Henk van Woerden (1947) was in Nederland jaren lang bekend als schilder. Hij exposeerde onder meer bij Galerie Espace en in het Stedelijk Museum. Maar sinds vorig jaar geniet hij in kleine kring ook faam als schrijver. Hij publiceerde toen Moenie kyk nie, een hoogst oorspronkelijke roman (in het Nederlands) over een gezin dat aan het eind van de jaren vijftig naar Zuid-Afrika verhuist. Het boek werd door de kritiek luid geprezen vanwege zijn bijzondere thematiek, het is genomineerd voor de Librisprijs, en vorige week werd bekend dat het de Geertjan Lubberhuizenprijs krijgt, de prijs voor het beste debuut van het afgelopen jaar.

Moenie kyk nie is, zoals dat vaker gebeurt met debuten waaraan lange tijd is gewerkt, niet helemaal zonder pretenties. Het wil veel en heel veel tegelijk. Dat beseft Van Woerden zelf ook. “Het is vreselijk compact,” zegt hij als ik hem kom opzoeken in zijn atelier in de vroegere kraamzaal van het oude Amsterdamse Wilhelminagasthuis. “Een tweede keer zou ik het verhaal waarschijnlijk veel meer uitschrijven.” Het is Tweede Paasdag, het ruikt sterk naar terpentine. Van Woerden is hard aan het schilderen. Over een paar dagen krijgt hij een expositie bij de Groningse galerie Waalkens.

Moenie kyk nie zou - onder nog veel meer - kunnen worden beschreven als een psychologisch portret van een naoorlogse Nederlandse familie door de ogen van een kind, het boek onderzoekt wat de pioniersmentaliteit is die maakt dat iemand elders op de wereld opnieuw wil beginnen, het geeft bewogen beschrijvingen van het landschap bij Kaapstad, het schetst de uiteenvallende sociale structuur in het Zuid-Afrika van de jaren vijftig en zestig. Maar het is ook een emotioneel en intellectueel zelfportret van Van Woerden. Het boek weerspiegelt zijn verscheurdheid tussen twee vaderlanden, het gaat in op zijn manier van kijken, zijn reageren op het landschap, zijn herinneringen en zijn manier van redeneren. Als hij nagaat wat er gebeurt wanneer hij als visueel gehandicapte met één oog kijkt, heeft hij het bijvoorbeeld over 'de suizende afwezigheid van een signaal - haast een niet zichtbaar te maken zenuwloze nostalgie'.

Desastreuze stap

Het is geen vraag om een serieus interview mee te beginnen, maar Van Woerden geeft het meteen toe: “Het is volledig autobiografisch. Ik heb er niet veel bij hoeven verzinnen. Het was alleen een kwestie van vormgeven.” Hij vertelt hoe hij zijn boek heeft opgezet om meer te weten te komen over het verschijnsel emigratie. Van zijn tiende tot zijn eenentwintigste jaar woonde Henk van Woerden, net als de jongen in zijn boek, met zijn Nederlandse familie in Zuid-Afrika. Hij wilde er al schrijvende achter komen wat zijn familie heeft bewogen om zo'n - achteraf gezien - desastreuze stap te doen. Hij schrijft hoe een onopvallend Katwijks gezin in 1957 zijn inboedel verscheept, in de verwachting elders een beter leven te krijgen.

Zijn familie, zo weet hij nu, stond in haar hooggestemde verwachtingen beslist niet alleen. In de jaren na de oorlog zijn alleen al naar Zuid-Afrika naar schatting 60.000 Nederlanders geëmigreerd. Ook de teleurstelling die later optrad, is niet uniek. Van de 60.000 geëmigreerden, zo is onlangs berekend, zijn in de loop der jaren 40.000 mensen teruggekeerd. Wat dreef deze gezinnen? Van Woerden in zijn boek: 'Moeder vindt het vooral fijn dat bijna alle huizen parterrewoningen zijn; geen trappen lopen meer. En iedereen heeft een dienstmaagd, schijnt bijna niets te kosten.' De schrijver nu: “Er waren veel motieven. Er was de dreiging van de Russen, het was het hoogtepunt van de Koude Oorlog, er waren er mensen die fout waren geweest in de oorlog. Maar er waren er ook veel voor wie de welwaart niet snel genoeg kwam. Wie droomde er in de natte, koude, oncomfortabele voorsteden niet van een eigen dienstbode? Wie verlangde er op zijn bovenhuis niet naar een eigen grasperkje met een een grassproeier en altijd mooi weer?”

Hoewel de nationalisten al in 1948 aan de macht waren gekomen, werd er in die tijd over Zuid-Afrika veel milder gedacht dan later. Er was nog veel sympathie voor het 'broedervolk'. Hendrik Verwoerd, de Amsterdammer die de apartheid zijn ideologische ondergrond zou geven, kwam pas aan het bewind in 1958. Het bloedbad van Sharpeville dat de hele wereld alarmeerde, was in 1961.

In de laatste hoofdstukken wordt duidelijk dat het avontuur van de zes Katwijkers definitief op een mislukking is uitgelopen. De moeder van het gezin is vroeg gestorven, één van de zoons lijdt aan ernstige opvoedingsmoeilijkheden, de vader haalt tot ergernis van zijn kinderen steeds weer vrouwen van laag allooi in huis. En een andere zoon, de ik-figuur, besluit terug te keren naar Nederland. “Ik weet niet wat ik tegemoet ga,” denkt hij, “maar wie hier blijft, leeft onder een stolp.”

Van Woerden zegt dat je zijn boek zou kunnen opvatten als een parabel, waarin één Nederlandse familie de Nederlandse koloniale geschiedenis van drie eeuwen nog eens alleen overdoet. Het gezin dat hij beschrijft, zijn eigen gezin, moet het failliet van de blanke aanwezigheid in Afrika aan den lijve ervaren, evenals de desintegratie die daarmee gepaard gaat. Aan de andere kant is het ook gevoelig voor de romantiek die bij de emigratie hoort, 'de zucht naar het vreemde landschap, de onderdompeling in het overweldigende.' Hij wijst erop dat de Nederlandse kolonisten in Zuid-Afrika vroeger niet aan de Kaap zijn gestopt. Toen ze het gebied daar eenmaal hadden gekoloniseerd, zijn ze, net als het gezin in het boek, verder getrokken. In het begin van de negentiende eeuw had je in Zuid-Afrika de Grote Trek van de Boeren, 'zo is er steeds een golfbeweging geweest van eigenwijze Boeren die het koloniale gezag aan de Kaap niet accepteerden.'

Patagonië

Wat Van Woerden met zijn boek wilde uitzoeken, was: “Met welke mentaliteit trek je verder? De kolonisten hadden het immers best naar hun zin aan de Kaap. Maar het gevoel steeds verder te moeten genereert zichzelf. De kolonisten waren op zoek naar het beloofde land. Ze dachten: wij zijn uitverkoren. Dat idee van uitverkoren te zijn is karakteristiek voor hen. Na de overwinning van de Engelsen is er vanuit Transvaal en Oranje Vrijstaat weer een grote groep boeren geweest die verder gingen, naar Rhodesië, Angola, en nog verder zelfs, tot in Zuid-Amerika toe, waar, wat bijna niemand weet, een groep Afrikaners in Patagonië is neergestreken.”

Opmerkelijk in het boek is hoeveel aandacht er wordt besteed aan het verhuizen en wat daar bij komt kijken. Van Woerden: “Dat wortelen van ons wilde niet zo lukken. De momenten van vertrek waren daarom significanter dan de tussenliggende perioden. Dan was het meer een kwestie van afwachten.”

Ook het Zuidafrikaanse landschap met zijn blauwe verten dat in de roman uitvoerig en zeer innemend wordt beschreven heeft het gevoel 'verder te moeten' volgens Van Woerden in hoge mate gestimuleerd. “Het onaantastbare landschap waar je niets mee kunt doen, heeft veel effect gehad op de psyche van de Zuidafrikaan. De hele romantiek van de boerentrek is misschien wel gebaseerd op het idee dat de einder altijd blauw is. De verleiding is dan groot om verder te trekken. Het beloofde land ligt altijd aan de horizon.”

Dat gevoel uniek te zijn, uitverkoren, apart te zijn geschapen, die nooit ophoudende puberteit, laat Van Woerden vooral zien aan de hand van de vader-figuur. “De vader vindt zichzelf een uitzondering. Hij is de bereider van de emigratie. En in Afrika vindt hij dat hij als Europeaan een streepje voor heeft. Terwijl hij in feite een heel middelmatige man is, een rokkenjager, een opportunist, dicht hij zichzelf bijzondere gaven toe.”

Snotapen

Van Woerden begon aan zijn roman kort na het overlijden van zijn eigen vader, in 1987. Literaire aspiraties had hij al veel langer, schrijven was in zijn laatste jaren in Zuid-Afrika al iets vanzelfsprekends, tijdens zijn academietijd verkeerde hij in dissidente kunstenaarskringen ('een groepje snotapen'). Maar de dood van zijn vader gaf hem plotseling een bruikbaar thema in. Hij werd gefascineerd door zijn vaders zekerheid 'om nooit meer ergens thuis te komen'. Hij wilde een boek schrijven over “het blijven zoeken naar een andere plek, de vlucht, de dwaaltocht, de peregrinatie.”

Van Woerdens vader kwam uit een gezin van emigranten: van de zeven kinderen emigreerden er zes, en de enige zoon die niet emigreerde, kwam terecht op de wilde vaart. Zijn vader was een typische zoeker, zo versleet hij ook een groot aantal godsdiensten: in het boek is hij achtereenvolgens mormoon, spiritist en vrijmetselaar.

De eerste pogingen om te laten zien 'hoe zo iemand in elkaar steekt' waren echter gedoemd te mislukken. Zijn vader bleek niet geschikt om als hoofdpersoon dienst te doen. “Ik dacht dat het makkelijker zou zijn om hèm voor een boek te gebruiken dan mezelf, maar het bleek andersom te zijn. De emotionele ervaring die ik in mijn boek wilde verwerken bleek bij het schrijven over mezelf beheersbaarder dan bij het schrijven over hem.” Daar kwam bij dat hij zijn vader eigenlijk een nare man vond. “Het zou daardoor een heel naar boek zijn geworden. Ik had het gevoel dat zoiets niet kon.”

In Moenie kyk nie is Van Woerden uiteindelijk zelf de hoofdpersoon geworden. Een andere belangrijke rol is toebedeeld aan zijn broer Hans, aan wie het boek ook opgedragen is. Hij fungeert als een tegenwicht, vanaf de eerste tot de laatste bladzijde is hij als een soort contrast aanwezig. Via de twee broers kon Van Woerden laten zien hoe verschillend je op een vreemde omgeving kunt reageren. Zijn eigen houding was sterk intellectueel, hij wilde in Zuid-Afrika graag weten waar hij was en wat de geschiedenis was van zijn nieuwe vaderland. “De ik-figuur heeft genoeg herinneringen om zijn uitstapjes in het achterland als een avontuur op te vatten.” Zijn broer had dat niet. “Hij ondergaat het leven in een vreemd land veel hulpelozer.”

De broer in het boek reageert sterk instinctief. Al op een van de eerste bladzijden wordt beschreven hoe hij als kleine jongen wegloopt om zijn broertje te zoeken als die in het ziekenhuis een oogoperatie ondergaat. Het gevolg is dat hij onmiddellijk verdwaalt. “Hans kan het allemaal niet bevatten. Omdat hij zo instinctief reageert, ontspoort hij steeds.”

Ook het besluit zijn broer in het boek te beschrijven is voor Van Woerden niet eenvoudig geweest. Zijn broer Hans is, zoals ook in het boek is te lezen, in Zuid-Afrika schizofreen geworden. In het laatste hoofdstuk zie je hoe hij te gronde gaat. Hij heeft hevige aanvallen van agressie en uiteindelijk moet hij worden opgenomen in een inrichting.

Van Woerden vertelt hoe hij zijn broer 'uit het boek heeft willen schrijven', door zijn figuur te laten overlijden. Maar hij was wel onmisbaar. Zijn functie is dat hij laat zien hoe hevig migranten op hun omgeving kunnen reageren. Aanleg speelt natuurlijk een rol, maar Van Woerden gelooft dat een wisseling van omgeving slecht kan zijn voor het psychisch evenwicht. “Ook bij allochtonen in Nederland blijkt schizofrenie veel voor te komen. Een emigrant kan al het vertrouwen in zijn omgeving kwijt raken en daarvoor alleen enig geldelijk gewin terugkrijgen.” Het is volgens Van Woerden een gecompliceerd proces. “Zijn waarneming wordt versplinterd, en hij kan de feiten niet meer op een rij zetten. Wat voor anderen helleklaar is, blijft voor hem zonder samenhang.” Een belangrijk moment is als de broer beseft dat hij niet alleen zijn land is kwijtgeraakt maar ook zijn taal. “Hans weet niet meer in welke taal hij denken zal. Hij moet zich 'vertalen'. Hij moet zijn persoonlijkheid in een andere taal gieten, wil hij overleven.”

Smeerlapperij

Wat Moenie kyk niet in deze tijd voor velen extra charme zal geven, zijn de beschrijvingen van de sociale en politieke veranderingen in het Zuid-Afrika van de jaren vijftig en zestig. Voor veel Nederlandse lezers die zich altijd ver hebben gehouden van dat griezelige land in het zuiden, kan het een inhaaloperatie zijn. In het boek merk je hoe het klimaat in Zuid-Afrika in de elf jaar dat Van Woerden er woonde is verhard en waardoor dat komt. Toen hij er als jongetje van tien aankwam, herinnert hij zich, ging het er nog vrij ontspannen aan toe. “Er was geen bewuste staatsrepressie. Je werd niet 's nachts van je bed gelicht.” Pas daarna kwam, met mensen als Vorster en Botha, wat Van Woerden noemt: 'de pure smeerlapperij'. De scheiding tussen de verschillende bevolkingsgroepen werd strenger, en dat raakte iedere burger direct in zijn privéleven.

In het boek zijn veel signalen hiervan terug te vinden. Eén van de tekenen waaruit de verharding blijkt, is dat de gemengde wijk waar het gezin woont volledig blank moet worden. Volgens Van Woerden is dit nieuwe beleid van grote invloed geweest op het klimaat. “Iedere Zuidafrikaner heeft onder die veranderingen geleden. Als je je ertegen verzette, liep je enorme risico's, en als je een compromis sloot met het systeem, werd je gedwongen een gat in je geweten te accepteren.

“Voor de meeste Afrikaners sprak die scheiding van bevolkingsgroepen helemaal niet vanzelf. De meeste kinderen van het platteland zijn tot ze een jaar of twaalf waren door zwarten opgevoed. Die hadden juist een heel innige band met hen. Ze waren hun substituut-moeders geweest.” In het boek zie je hoe de scheidingswetten voor steeds meer angst en verscheurdheid zorgen. De vader en de broer die relaties aangaan met zwarten of kleurlingen, zijn vrijwel gedwongen het leven van een vervolgde te leiden.

De culturele boycot die in de jaren zeventig vanuit Europa op gang kwam, en die er onder meer toe leidde dat onafhankelijke schrijvers als W.F. Hermans en Gerard Reve door het Amsterdamse stadsbestuur op een zwarte lijst werden gezet, heeft volgens Van Woerden de apartheidspolitiek ernstig verhard. “Dat was een grote vergissing. Dat heeft vooral averechts gewerkt.” Anders dan de woordvoerders van het ANC gelooft hij niet dat er aan de apartheid nu een einde begint te komen door de grote internationale druk. De pressie van de Afrikaner intellectuelen is volgens hem zeker zo belangrijk geweest. “Zij vormden in die jaren de enige echte tegenkracht tegen het regime. Hun recalcitrantie 'tegen het eigen volk' werd gezien als broedermoord. Dat is van veel betekenis geweest. Het maakte het mogelijk dat er een splitsing ontstond tussen de generaties. De jongeren zagen dat je dissident kon zijn, dat je anders over iets kon denken.”

Waarom de boycot in Europa desondanks zo strikt werd uitgevoerd, kan hij wel begrijpen. “Het ideeëngoed van de Zuidafrikaanse nationalisten heeft ook elders op de wereld altijd veel aanhangers gehad, maar het drong eigenlijk pas in Zuid-Afrika door op een moment dat het overal elders net aan het veranderen was. Dat verklaart waarom Europa zo rabiaat reageerde. Twee generaties eerder was het geloof in het naast elkaar leven van verschillende volkeren in Europa nog volkomen geaccepteerd, maar nu herkende men er iets in waar men zelf net vanaf was.”

Het tragische is volgens Van Woerden dat de Afrikaner intellectuelen van wie de verandering moest komen, door de boycot jarenlang zijn geïsoleerd. Alles wat veranderingen ten goede kon veroorzaken, werd systematisch door Europa afgesneden. “De kentering die je nu ziet, zou veel eerder hebben plaatsgevonden, als de boycot minder stringent was geweest.”

    • Reinjan Mulder