Beroemd, beroomd, bescheiden; Maria Tesselschade, een ideale vrouw herdacht

Maria Tesselschade, 'de aantrekkelijkste vrouwenfiguur uit de zeventiende eeuw', heeft haar roem grotendeels te danken aan het feit dat belangrijke literatoren van haar tijd óver haar schreven. De gedichten die ze zelf schreef, zijn nooit erg gewaardeerd. Is dat terecht?

Tentoonstelling Maria Tesselschade en haar literaire vrienden t/m 20 mei in de Universiteitsbibliotheek, Singel 425, Amsterdam.

Maria Tesselschade. Leven met talent en vriendschap. Door Mieke Smits-Veldt. Uitg. Walburg pers, 120 blz. Prijs: f 29,50.

Vlakbij het Amsterdamse Leidseplein is nog altijd een winkel van de vereniging Tesselschade Arbeid Adelt. Gebreide eierdopjes, pastelkleurige babykleertjes, vlechtwerk en keramiek liggen er in de etalage. Het zijn de vruchten van huisvlijt van aan huis gebonden dames. Daarnaast stelt de vereniging, die in 1872 werd opgericht en de zeventiende-eeuwse Maria Tesselschade eert als toonbeeld van vrouwelijke creativiteit, vrouwen in staat te studeren of een opleiding te volgen. Het lijken wat minder revolutionaire doelstellingen na het voltooien van de eerste, tweede en derde feministische golf. Misschien dat er daardoor wat ruimte ontstaat voor een herwaardering van de schrijfster Maria Tesselschade, wier vierhonderdste geboortedag dit jaar uitgebreid wordt herdacht en gevierd.

Tot nu toe sprak zij vooral om haar romantische en redelijk goed gedocumenteerde leven tot de verbeelding. Dat begint al bij die vreemde naam. Die heeft ze te danken aan een grap van haar vader, de rijke graanhandelaar Roemer Pieterszoon Visscher. Tessel-schade herinnert aan een ramp op kerstavond 1593, toen veertig volgeladen koopvaardijschepen door een fikse storm lossloegen van hun anker en voor het eiland Texel vergingen. Voor de graanhandelaar een enorme strop. De baby die een paar maanden later geboren werd, herinnerde echter niet alleen aan de schipbreuk en de betrekkelijkheid van aardse rijkdom, maar was waarschijnlijk ook het triomfantelijke bewijs dat Roemer Visscher de schade - een aanzienlijk deel van zijn vermogen - alweer enigszins te boven was.

De kinderen Visscher groeiden op in de dageraad van de Gouden Eeuw. Eindelijk heerste er politieke en religieuze rust in de Lage Landen: het calvinisme was de officiële godsdienst, de prins van Oranje stadhouder. Amsterdam werd de bloeiende 'Hoofdstad van Europa'. Een nieuwe elite van kooplieden profiteerde van deze periode van snel veranderende maatschappelijke verhoudingen. Hun zelfbewustzijn uitte zich onder meer in een behoefte aan een duidelijke culturele identiteit. Aan boeken, schilderijen, beelden, vaatwerk en huizen in een eigen Hollandse stijl. Daarbij voeren zij het renaissance-ideaal van kunstzinnigheid, geletterdheid en maatschappelijke betrokkenheid hoog in het vaandel. Zo was dus ook de opvoeding die Roemer Visscher zijn dochters gaf: zij leerden musiceren en zingen, graveren en borduren, Frans en Italiaans en zelfs - en dat was in die tijd hoogst uitzonderlijk - zwemmen in de gracht. Waarschijnlijk was dat niet het grachtenwater uit de binnenstad, maar vonden de zwemlessen in de Amstel plaats, waaraan Roemer Visschers vriend Spiegel een buitenhuis had.

Getrouwde staat

Nu was het zeker niet Roemers bedoeling dat zijn dochters een van die vaardigheden beroepshalve zouden benutten. Hun uiteindelijke bestemming lag in het huwelijk. Gesterkt door de meningen van Erasmus en Thomas More vond Roemer Visscher dat een algemene ontwikkeling de vrouw eenvoudigweg beter geschikt maakte voor de getrouwde staat. En zo bleven de zusjes verdienstelijke amateurs, die met hun talenten de ontvangsten thuis en uit luister bijzetten.

Niet bekend

Groot is de verbazing in de literaire beau monde als de twee zusjes kort na elkaar trouwen, en allebei een man kiezen die niets met het intellectuele milieu te maken heeft. In 1623 huwt Tesselschade Allard Crombalch, een man van wie we vrijwel niks weten behalve dat hij waarschijnlijk zeeofficier geweest is, en - na zijn huwelijk met de vrouw wier naam aan een schipbreuk herinnert - niet meer gevaren heeft, maar van zijn vermogen leefde. Samen kregen zij twee dochters, en gingen in Alkmaar wonen. In die buurt vestigde zich ook Anna toen zij op haar veertigste eindelijk trouwde en zelfs nog twee zonen baarde.

Begraven in de polder en het huwelijk onderhield Tesselschade vooral haar vriendschap met Hooft, die zich ontwikkelt als een belangrijk historieschrijver. Vanaf 1628 logeert zij met haar gezin iedere zomer op zijn slot in Muiden. Hooft lokt dan ook andere vrienden met het vooruitzicht op aardbeien en pruimen, én de zang van Maria Tesselschade.

Het zijn deze zomerse, vrolijke bijeenkomsten die in de negentiende eeuw geromantiseerd worden tot de 'mythe van de Muiderkring', het dichtende en musicerende puikje van de literaire elite, die elkaar lof toezingen in gedichten. In de onlangs verschenen biografie Maria Tesselschade. Leven met talent en vriendschap corrigeert literatuurhistorica Mieke Smits-Veldt dit beeld op Hoofts ontvangsten. Zo bleek het gezelschap nogal wisselend van omvang en samenstelling, en waren er behalve Tesselschade ook regelmatig andere vrouwen aanwezig.

Zwarte dag

Smits-Veldt maakt duidelijk dat het beeld van Tesselschade als stralend middelpunt van de Muiderkring in de eerste plaats te danken is aan de verliefde beschrijvingen van Barlaeus. Deze geleerde begint naar haar hand te dingen, nadat Tesselschade op een zwarte dag in 1634 zowel haar oudste dochtertje aan de pokken, als haar man - aan te zware kalmeringsmiddelen - verloor.

De knappe weduwe is dan nog maar net veertig, in de bloei van haar leven. Barlaeus, hoogleraar in de filosofie, en bevriend met Huygens, Vossius en Hooft, is eveneens weduwnaar. De vrienden zien wel wat in een vrijage tussen de twee, maar Barlaeus' wervingspogingen blijven in een hoffelijk spel steken.

Als ook Huygens weduwnaar wordt storten de twee vrienden zich in een literaire minnestrijd om Tesselschade. Die wordt vooral in het Latijn gevoerd, een taal die Tesselschade helemaal niet machtig was. De gedichten worden haar niet eens toegezonden. De vraag is dus of ze wel voor haar bestemd waren. Het lijkt er eerder op dat de twee rivalen hun minnezangen vooral voor elkaar en het dankbare publiek componeerden.

Mij blijft het verbazen dat Tesselschade in die jaren geen Latijn leerde. Als er zoveel poëzie aan je opgedragen wordt, zou je die toch ook zelf - en niet in vertaling - willen kunnen lezen? Vond ze het een vrouw niet passen om Latijn te kennen, of was ze niet zo conventioneel? Of schuilt de verklaring erin dat het literaire wereldje een leuke franje van haar bestaan als Alkmaarse huismoeder was, maar ook niet meer dan dat? Aangezien we over haar huiselijke leven vrijwel niets weten zullen we het met de kennis uit de overgeleverde brieven moeten stellen.

Een aantal hiervan is nu tentoongesteld in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek. Ze illustreren de hoffelijke, schriftelijke omgangsvormen van de vrienden. Uitzondering hierop vormt de intieme verstandhouding - voorzover je daar in die tijd van kunt spreken - tussen Hooft en Tesselschade. Die blijkt bijvoorbeeld uit de lieve aanhef van een brief waarmee de drost haar in 1636 voor een bezoekje naar Muiden probeert te lokken: 'Mejoffre, de pruimen beginnen al teffens ... te rijpen, en te roepen: 'Tesseltje, Tesseltjes mondje'.'

In een andere brief verzoekt Tesselschade Hooft een gedicht van haar te corrigeren. Aangezien zij ronduit slecht was in spelling, stuurde zij hem altijd haar poëzie, opdat hij die kon 'betuttelen'. Tesselschade heeft haar roem grotendeels te danken aan het feit dat belangrijke literatoren van haar tijd óver haar schreven, maar zelf dichtte zij ook.

Vertroosting

In de zeventiende eeuw had het schrijven van gedichten een dubbele functie. Het diende tot vermaak of vertroosting van vrienden, maar had ook een duidelijke maatschappelijke betekenis, tot stichting en lering van de mensheid. Tesselschades gedichten lijken die laatste doelstelling niet na te streven. Haar ambities reikten in dat opzicht beduidend minder ver dan die van haar zus Anna en tijdgenote Anna Maria van Schurman bijvoorbeeld. Laatstgenoemde vrouwen publiceerden wel. Hun mannelijke collegae vonden hen dan ook veel bedreigender. Typerend is hoe Huygens Tesselschade boven Anna stelt: omdat zij 'in uiterlijk, spreken en gedrag veel lieflijker was, en ook met een werkelijk verheven geest.'

De ruim dertig gedichten die we van Tesselschade kennen, waren vaak direct bestemd voor een van haar mannelijke literaire vrienden en zijn dankzij hen bewaard gebleven. Uit haar poëzie komt zij naar voren als een evenwichtige vrouw, die op bewonderenswaardige manier omgaat met het verdriet van zichzelf en anderen. In haar latere gedichten getuigt ze bovendien van haar bekering tot het katholicisme, daartoe niet zelden uitgedaagd door haar literaire vrienden, die die terugval naar het oude geloof met afschuw gadesloegen. 'Beroemde, maar eilaas, beRoomde Tesselscha', zo klaagde Huygens.

Jaren eerder had ze hem getroost met de dood van zijn vrouw, door in een sonnet aan Hooft Huygens (die aangesproken wordt als 'Vastaard') raad te geven. Zij getuigt hoe het dichten haar hielp bij het overwinnen van haar verdriet, en raadt Huygens dezelfde remedie aan. Hij blijkt onder de indruk van de manier waarop ze haar raad formuleert. Voor één keer had ze een niveau bereikt, waarop ze met mannen kon wedijveren, antwoordt hij hun intermediair Hooft.

Niet alle poëzie van Tesselschade is zo helder en eenvoudig te begrijpen als het op deze pagina afgedrukte sonnet. Met haar literaire vrienden deelt zij de bewondering voor gemaniëreerde, Italiaanse poëzie. Ze heeft dan ook een voorliefde voor vernuftige gedachten en verrassende stijlwendingen om heel persoonlijke gevoelens uit te drukken. Om dit gedachtengoed tegenwoordig nog te kunnen volgen, is nogal wat uitleg nodig.

Jammer genoeg is de tekstuitgave van Tesselschades poëzie, die wordt voorbereid door een Leidse werkgroep onder leiding van Agnes Sneller, nog niet klaar. Sneller meent dat Tesselschade's oeuvre genoeg intrinsieke kwaliteit heeft om op zichzelf te staan en beoordeeld te worden. Mijn indruk is dat haar poëzie vooral ontstaat in reactie op brieven van haar vrienden, en los van die context moeilijk te volgen is. Bovendien deel ik de mening van Smits-Veldt die haar stijl soms erg gezocht vindt of te kunstig geformuleerd.

Bekoorlijk en vrolijk

J.A. Worp, die in Een onwaerdeerlijcke vrouw de brieven en gedichten van, over en aan Tesselschade publiceerde, stelde in 1916: 'Sommige verzen van Tesselschade zijn zeer verdienstelijk en zij staat als dichteres ver boven hare zuster Anna. Maar het zijn niet haar gedichten in de eerste plaats, die haar recht geven op de belangstelling en de bewondering van het nageslacht.' Die verdient zij volgens hem namelijk omdat zij de aantrekkelijkste vrouwenfiguur uit de zeventiende eeuw is, die hoogbeschaafd was, en behalve dichtte, zong, musiceerde, tekende en schilderde, op glas graveerde, en allerlei vrouwelijke handwerken uitnemend beoefent. Daarnaast blijft zij bescheiden, mooi, bekoorlijk en vrolijk, eenvoudig en tactvol.

Toe maar. Hier spreekt een bijna verliefde man, een late vertegenwoordiger van de negentiende-eeuwse, romantische bewonderaars van Tesselschade. Wie echter hoopt dat het beeld bijna tachtig jaar later anders is komt enigszins bedrogen uit. Ook Smits-Veldt laat zich in bijna lyrische bewoordingen uit over Tessels kwaliteiten. In een vraaggesprek voegde zij daar onlangs aan toe haar bovenal te zien als een 'licht-ironische en zelfstandige vrouw', ook al beseft zij dat dat typisch twintigste-eeuwse kwalificaties zijn.

In de afgelopen eeuwen hebben tallozen hun beeld van de ideale vrouw op Tesselschade geprojecteerd. Smits-Veldt stelde zich ten doel haar terug te plaatsen in de zeventiende eeuw. Dat streven corrigeert en matigt Worps visie op de 'onwaerdeerlijcke vrouw', de niet hoog genoeg te waarderen vrouw. Maar de gekozen voorzichtige, wetenschappelijke benadering zorgt helaas niet voor een verrassend nieuwe kijk op Tesselschade. Zoals Smits-Veldt zelf opmerkt is het moeilijk om achter de literaire brieven en gedichten de 'werkelijke' Tesselschade te zien. Ook strikt literair gezien, blijft ze in de eerste plaats een vrouw in een mannenomgeving. Haar positie is uitzonderlijk, niet haar prestaties. Haar kracht is haar charme, niet haar werk. Zij behoudt de vlinderachtige ongrijpbaarheid die haar zo'n geschikt personage voor romantische idealisering maakt. Zodat we bij haar vierhonderdste verjaardag nog steeds de ideale, tot de verbeelding sprekende vrouw herdenken, in plaats van de schrijfster Maria Tesselschade.

    • Jinke Obbema