Archeologie van het optimisme

Nog tot dertig april duurt de tentoonstelling Sporen van de avant-garde; in Heerlen. Met de trein erheen, een directe verbinding, onderhouden door de Koplopers van de NS, en op die manier zien we ook nog veel van het moderne Nederlandse landschap waardoor we vergelijkingen kunnen maken tussen toen en nu. De kern, de oorzaak van de Heerlense tentoonstelling is i10, het tijdschrift van Arthur Lehning dat verscheen tussen 1927 en 1929. De meeste avantgardisten die later wereldberoemd zijn geworden hebben eraan bijgedragen. Ik noem geen namen.

In 1991 werd in het Centre Pompidou de grote overzichtstentoonstelling van André Breton gehouden: zijn leven, zijn werk, dat van zijn vrienden, en zijn tijdschrift La Révolution Surréaliste. Op 1 december 1924 is daarvan het eerste nummer verschenen, op 15 december 1929 het twaalfde, het laatste. Ook het tijdschrift van Breton is gevuld door avantgardisten die zo beroemd zijn geworden dat een opsomming niet nodig is.

Tussen i10 en de Révolution zijn grote verschillen maar ook twee overeenkomsten: ze zijn verschenen in hetzelfde tiental jaren en er spreekt een geest van verscheidenheid en optimisme uit. Hoewel de wereld waarin ze zijn ontstaan intussen twee keer door een oorlog omver is gegooid - de Tweede en de Koude die niet minder een wereldoorlog is geweest - maken beide tijdschriften na driekwart eeuw nog een onverslaanbare indruk. Waar haalden die mensen toen hun optimisme vandaan?

De Révolution en i10 hebben een hoog gehalte aan politiek, niet in de zin dat daar propaganda werd gemaakt voor een partij, maar als gepolitiseerde utopie. Feitelijk was het met die utopie in 1933 al gedaan en in 1940 is daarvan de definitieve bevestiging gekomen die dan weer vijf jaar heeft geduurd. De eerste anti-utopie was veel eerder geschreven: Wij door Jevgeni Zamjatin. Ik heb dit boek niet gelezen. Degenen die dat wel hebben gedaan, Isaac Deutscher bijvoorbeeld, zeggen dat Aldous Huxley zich erdoor heeft laten inspireren bij het schrijven van zijn Brave New World, en dat George Orwell door de lectuur van Wij nog veel meer inspiratie heeft opgedaan voor zijn 1984.

Wat Orwell dan ook aan Zamjatin te danken heeft, het is hem gelukt een boek te schrijven dat de westelijke beschaving bijna een halve eeuw tot officiële nachtmerrie heeft gediend. 1984 is de excessieve projectie van een toestand die in 1948, het jaar waarin hij het boek voltooide, in eerste aanleg al leek te bestaan: een wereld verdeeld in machtsblokken die zich tot in lengte van dagen zouden handhaven door een onderlinge staat van halve oorlog in wisselende bondgenootschappen en de geraffineerde onderdrukking van de eigen bevolking. In het jaar van zijn vervulling begonnen we al te vermoeden dat het achterhaald was. Had Orwell het een jaar later voltooid dan had het 1994 geheten, en dan was het niet tot grote herdenkingen gekomen, want inmiddels weten we dat de blokken roemloos uitelkaar zijn gevallen.

De Koude Oorlog heeft na 1984 geen anti-utopie voortgebracht, en evenmin een utopie als we de Drop City in Californië, de Flower Power en de tijd van de democratisering buiten beschouwing laten. Met een beetje welwillendheid kunnen we die verschijnselen nog als praktische utopistische bewegingen beschouwen, en onwelwillend als ééndagsvliegen die geen spoor in het denken hebben nagelaten.

Het schrijven van een utopie zowel als van een anti-utopie vergt een politiek inzicht en een verbeeldingskracht die op langere termijn werkt, en het eerste genre daarbij een uitzonderlijk optimisme en het tweede evenveel pessimisme. Op het laatste gebied hebben we wel een paar essayistische prestaties: Alain Finkelkraut, La défaite de la pensée, Allan Bloom, The Closing of the American Mind, en nu weer Robert Hughes, The Culture of Complaint, maar dat zijn vooral empirische boeken die als grondslag een vraag hebben: Waar moet dat heen?

Al een halve eeuw is er geen utopie of anti-utopie geschreven die standhoudt zoals de boeken die ik hierboven heb genoemd. Hoe komt dat? Waarom is er na de Koude Oorlog geen optimisme gekomen dat golven van creativiteit heeft veroorzaakt, zoals in i10 en de Révolution, en geen pessimisme dat de anti-utopie van een totale fragmentarisering zou kunnen voorzien? Zou het zo zijn dat er drie wereldoorlogen in een eeuw voor nodig zijn geweest om, althans op dit gebied, een hele beschaving te verdoven?

    • H.J.A. Hofland