Alle ogen gericht op Greenspan

“Wie inflatie ziet in de VS, ziet spoken”, zei de voormalige Fed-voorzitter Paul Volcker onlangs in deze krant. De financiële markten slaan die geruststelling de laatste maanden in de wind. De rente op de toonaangevende dertigjarige staatsobligatie in de VS steeg in de laatste vijf maanden in een steeds sneller tempo met tegen de anderhalf procent tot 7,42 procent op dinsdag, het hoogste punt sinds Clintons inauguratie.

Hoewel dergelijke pieken grotendeels het resultaat lijken van korte-termijnreacties op de markt, is de onderliggende trend overduidelijk: beleggers lopen klaarblijkelijk vooruit op een opleving van de inflatie in de VS. Vandaar dat de obligatierendementen, die toekomstige inflatie in feite nu al contant maken, zijn gestegen.

Omdat van een dergelijke opleving op dit moment nog geen sprake is, wordt de discussie over de mogelijkheid daarvan vooralsnog alleen in theorie gevoerd. Een populaire methode die aangeeft wanneer de economische groei inflatoir wordt, is de zogenoemde output-gap. Dat is het verschil tussen wat de Amerikaanse economie in het verleden heeft bewezen te kunnen produceren, en het volume dat op dit moment daadwerkelijk wordt geproduceerd. De achterliggende gedachte is dat wanneer het gat tussen het potentiële en het werkelijke bruto nationaal produkt dichtloopt de economie zijn maximale capaciteit nadert, en de producenten de gestegen vraag beginnen te vertalen in hogere prijzen. Op dit moment is volgens verschillende berekeningen van de Britse effectenbank Barclays de Zoete Wedd en het Amerikaanse Lehman Brothers de output-gap in de VS vrijwel dicht.

De prognoses voor de economische groei in de VS zijn langzamerhand bijgesteld naar boven de 3,5 procent op jaarbasis. Bij de huidige werkloosheid van 6,5 procent van de beroepsbevolking in VS voegt de naderende krapte op de arbeidsmarkt een extra argument aan de inflatiedreiging toe: het moment nadert dat die krapte zich gaat vertalen in hogere lonen. Een economische groei van tussen 3 en 3,5 procent wordt nu beschouwd als nog net non-inflatoir. Mocht de arbeidsmarkt verder aantrekken dan zorgt een groei van 2,5 procent al voor inflatie.Een derde aanwijzing voor hogere prijzen in de VS zijn de gestegen prijzen van grondstoffen. Die kunnen op termijn door de industrie worden doorgesluisd naar de consument en zorgen zo voor een hoger inflatiecijfer. De stokoude Economist-index voor grondstoffen is het afgelopen jaar met 12 procent gestegen, hoewel de dalende olieprijs daar niet is inbegrepen. Olie meegerekend, komt de prijsstijging van grondstoffen op net onder de tien procent.

Het resultaat van al deze overwegingen is dat de consensus-voorspelling van Amerikaanse analisten over de inflatie in de VS - in februari nog 2,5 procent - voor geheel 1994 is opgeschroefd naar gemiddeld 2,8 procent en volgend jaar oploopt naar 3,3 procent. En dat betekent dat de geldontwaarding tegen het einde van het jaar kortstondig zou kunnen oplopen tot tegen de 4 procent.

Alle ogen zijn gericht op Alan Greenspan, de voorzitter van de Federal Reserve Board (het stelsel van Amerikaanse centrale banken). De Fed verhoogde in februari en maart de geldmarktrente met tweemaal een kwart procent tot 3,5 procent om toekomstige inflatie nu al in de kiem te smoren. Volgens Greenspan was die ingreep bedoeld om mogelijke inflatie zo vroeg mogelijk in te dammen. Zou hij de maatregel uitstellen, zo zei hij, dan zouden in een later stadium veel draconischer ingrepen nodig zijn, met alle onrust op de financiële markten van dien.

In feite is van een monetaire verkrapping geen sprake. Na drie jaar de economie te hebben voorzien van extreem 'goedkoop geld' heeft de centrale bank nu hooguit een neutrale positie ingenomen met het rentetarief. De heftige reactie op de renteverhogingen zou daarom niet alleen inflatie-angst kunnen zijn, maar even goed kunnen wijzen op onzekerheid of Greenspan wel genoeg doet. Zijn eerste rente-ingreep kwam tenslotte pas drie jaar na de eerste tekenen van economisch herstel, en dat is veel later dan toen Greenspans voorgangers in vergelijkbare omstandigheden aan het roer stonden. Heeft de Fed-bankier met zijn langdurige politiek van goedkoop geld te veel rekening gehouden met het opkrabbelen van de geteisterde Amerikaanse banksector, of de vurige wensen uit het Witte Huis van snel economisch herstel?

Het Internationale Monetaire Fonds zal - zo lekte deze week uit - op 20 april in de jaarlijkse rapportage over de Amerikaanse economie, de aanbeveling doen om de rentetarieven verder op te schroeven. De meeste analisten gaan nu al uit van een renteverhoging tot 4,5 of zelfs 5 procent in de loop van het jaar, en dat komt in de buurt van de draconische monetaire ingreep die Greenspan aanvankelijk juist zei te willen vermijden.

    • Maarten Schinkel