Achttien-karaats kunst; De Deutsche Bank in Frankfurt als mecenas

“De werknemers zijn niet met de kunst getrouwd, ze mogen wegkijken,” zegt Herbert Zapp, lid van de Raad van Bestuur van de Deutsche Bank in Frankfurt. De tweeduizend kunstwerken van de bank vormen een van de mooiste bedrijfscollecties van hedendaagse kunst. Een rondleiding langs schilderijen achter streng bewaakte hekken en in de geheime Tresor.

Aanvragen voor rondleidingen in het hoofdkantoor van de Deutsche Bank, Taunusanlage 12, Frankfurt, moet men schriftelijk in dienen (in verband met veiligheidsmaatregelen) bij F. Hutte, Kunstressort, Postfach 60262 Frankfurt am Main.

Het is feest op de 35ste verdieping van de Deutsche Bank in Frankfurt. In een achthoekige ontvangstzaal met adembenemend uitzicht op de nachtelijke lichtjes van Duitslands bankstad, worden grote glazen sekt en schuimend bier geheven. Die middag heeft Herbert Zapp, lid van de Raad van Bestuur van de Deutsche Bank, de Adam Elsheimer prijs ontvangen voor zijn verdiensten op cultureel gebied. De 65-jarige jurist Zapp is de initiatiefnemer en samensteller van de omvangrijke collectie hedendaagse Duitse kunst van de bank. Het grootste deel daarvan bevindt zich in het hoofdkantoor dat verdeeld is over drie wolkenkrabbers in het financiele centrum van Frankfurt.

Het is een verzameling moderne kunst van hoge kwaliteit die volgens deskundigen zijn weerga niet kent onder Duitse bedrijfscollecties. Hoewel allereerst bedoeld voor de drieduizend bankemploye's en hun clienten, kunnen ook buitenstaanders zich laten rondleiden langs een aantal van de negentig verdiepingen waarover de collectie is verspreid. In juni, tien jaar nadat de modernistische, spiegelende torens in Frankfurt werden betrokken, verschijnt een collectie-catalogus. Volgend jaar, als de Deutsche Bank 125 jaar bestaat, zal een groot deel van de verzameling op reis gaan langs musea in onder meer Berlijn en Leipzig.

In de feestzaal hoog boven Frankfurt, waar na de prijsuitreiking een receptie voor galeriehouders, kunstenaars en museummensen wordt gehouden, hangen kunstwerken van klassieke modernen als Robert Delaunay, Karl Schmidt-Rotluff, Oskar Kokoschka en Oskar Schlemmer. Ze zijn door een van de vorige directeuren, Hermann Joseph Abs, bijeengebracht. Opvallend genoeg zijn er op deze etage geen stukken van hedendaagse kunstenaars te vinden en als ik een etage lager op onderzoek uitga, word ik al snel tegengehouden door een beveiligingsbeambte.

Elektronisch pasje

De volgende dag mag ik verder kijken, begeleid door een van de zes rondleidsters van de afdeling Kunstressort, die me met een elektronisch pasje door de vele vergrendelde hekken en afdelingen loodst. De Fuhrung begint buiten bij de hoofdingang, waar een gladgepolijste granieten sculptuur van Max Bill staat opgesteld. Het is een reusachtige lusvorm met de titel Kontinuitat, die in het spiegelglas van de kantoortorens talloze malen weerkaatst wordt. Trots vertelt de rondleidster dat dit het grootste beeld uit een stuk ter wereld is; het heeft drie miljoen Duitse marken gekost en is daarmee het duurste kunstwerk in de verzameling.

Continuiteit is een trefwoord dat je te binnen schiet als je denkt aan een bank. Waarom vezamamelt een concern met een conservatief imago als de Deutsche Bank juist moderne kunst? De Bayerische Hypothekbank in Munchen bijvoorbeeld begon in de jaren zestig met de aankoop van werken van onder meer Goya, Canaletto en David die zijn ondergebracht in de Alte Pinakothek in Munchen. De Frankfurter Sparkasse en de Dresdner Bank sponsoren vooral klassieke-muziekconcerten.

De Deutsche Bank koopt uitsluitend kunst van levende kunstenaars. Volgens Herbert Zapp, die ook een prive-verzameling heeft, gebeurt dat “om jongere kunstenaars en hun galeries, het vooruitstrevende deel van de kunstwereld, een steuntje in de rug te geven. Het corporate image van de Deutsche Bank wordt daardoor beinvloed en krijgt een meer toekomstgericht karakter.”

Elke kunstenaar heeft een 'eigen' etage in de tweeling-wolkenkrabber waar zijn werk permanent is geexposeerd. In de lift staat naast het nummer van de verdieping de naam van de 'inwonende' kunstenaar, die op iedere etage wordt geintroduceerd met een ingelijste biografie en een portretfoto. Ze zijn chronologisch geordend: bovenin de oudsten, door Zapp 'hoogkaraats' kunstenaars genoemd. De hoogste verdieping van de linkertoren, Turm B, is gewijd aan Joseph Beuys die school maakte met zijn opvatting van kunst als een actieve maatschappelijke kracht. Op de etages daaronder hangt werk van onder anderen Gerhard Richter, Felix Droese, Thomas Schutte en Manfred Stumpf. In Turm A zetelt Horst Antes bovenaan. Hij staat voor de figuratieve, expressieve stroming in de Duitse naoorlogse kunst. Op onderliggende verdiepingen volgen Markus Lupertz, Martin Disler, Walter Dahn en Siegfried Anzinger. Het Trianon, de afzonderlijke derde toren die in november in gebruik werd genomen, is voor de helft gewijd aan kunstenaars uit het voormalige Oostblok, met name uit de 'nieuwe Duitslanden', zoals Katharina Sieverding en Via Lewandowsky. bpIn de conferentiezaal op de tweede verdieping, die Turm A en B met elkaar verbindt, hangen monumentale werken van Duitslands bekendste schilders: Kiefer, Polke, Baselitz, Lupertz, Immendorff en Penck. Zij verbinden de drie poten met elkaar, als super-individuen die expressie en abstractie in hun werk verenigen.

Smalle gangen

Herbert Zapp nam het initiatief tot de collectie. Hij schrok toen hij de met hout beklede wanden zag en de donkere, nogal smalle gangen van de torens die de gemeente Frankfurt in 1980 had laten bouwen en die eigenlijk onderdak hadden moeten bieden aan een hotel. Met enkele vrienden uit de kunstwereld besloot Zapp tot het samenstellen van clusters van vijftien tot dertig werken van 175 geselecteerde kunstenaars, zodat een goed beeld van hun oeuvre zou ontstaan. Zapp: “De Deutsche Bank heeft een traditie in cultureel engagement, maar voorheen was er geen vooropgezet plan voor aankopen. Abs kocht vooral wat hij zelf mooi vond: klassieke modernen. Ik wil liever een mecenas zijn voor levende kunstenaars.”

Alle kunst voor de Frankfurtse vestiging is binnen twee jaar verworven en bij het betrekken van de kantoortorens in een keer opgehangen. Dat lijkt behalve eigenzinnig ook arrogant: de samenstellers twijfelen kennelijk niet aan hun oordeel, het statische karakter van de presentatie laat geen ruimte voor een veranderende kijk op de recente kunstgeschiedenis. Dat is des te verbazender omdat dikwijls van jonge kunstenaars heel vroeg is aangekocht, bijvoorbeeld van groepen als de Muhlheimer Freiheit (waartoe ondermeer Walter Dahn en Georg Dokoupil behoren) en de Berliner Neue Wilden.

De aangekochte stukken zijn alle werken op papier. Dat heeft volgens Zapp te maken met het relatief geringe bedrag dat beschikbaar was, 'veel minder dan 1% van de bouwsom', en er waren veel gangen te vullen. Tekeningen, foto's en gouaches zijn bovendien goed te conserveren in het kunstlicht van de kantoorgangen, en niet te groot. Zapp noemt ook nog de gevoelsmatige overeenkomst met bankpapier, en het experimentele, vrije karakter van veel tekeningen.

Er is ongeveer 2,5 miljoen DM besteed aan de Frankfurtse collectie, de waarde ervan is volgens hem nu tenminste verdubbeld. Het bedrag staat zonder twijfel niet in verhouding tot wat het de Deutsche Bank kost om de toptennisser Boris Becker, aan wie het concern zijn naam heeft verbonden, voor een aantal jaren te sponsoren.

Heilzaam

Het hoofdkantoor is nu voorzien, maar Zapps kunstcommissie gaat door met aankopen. Nieuwe werken zijn bedoeld voor de artotheek van de bank, waar medewerkers kunst kunnen lenen om op hun werkkamer te hangen, en voor de 450 filialen verspreid over de hele wereld, van Singapore tot New York. In buitenlandse vestigingen wordt voor de helft Duitse en voor de andere helft locale kunst opgehangen. Alleen al de laatste twee jaar zijn er zestig nieuwe filialen in het voormalige Oost-Duitsland geopend die door de commissie voorzien worden van Duitse kunst. De collectie heeft dus allereerst een didactische functie. Denkt Zapp dat de kunst een heilzame invloed heeft op de bankemploye's? “Als ik in het voorbijgaan een kantoor inkijk, zie ik vaak lege wanden, of foto's van familieleden. Lang niet iedereen maakt gebruik van de artotheek. Toch is het goed als mensen in de anonieme doorloopruimtes wel met kunst geconfronteerd worden. Soms zeggen ze tegen me: 'Haal het alsjeblieft weg!' Ik antwoord dan: 'U zult zien, over een paar jaar, als het wordt uitgeleend voor een tijdelijke tentoonstelling, roept u: moet dat nou?' De mensen raken vaak gehecht aan de kunst, al is het alleen maar door gewenning.”

Zapp stemt in met de hypothese dat de aanwezigheid van kunst in een bedrijf als bliksemafleider kan werken: “Misschien is het waar dat men eerder scheldt op een kunstwerk dan op zijn chef. Ik weet niet of dat altijd slecht is, zo'n medewerker kan alvast wat stress kwijt,” zegt hij monter.

Een keer per jaar wordt er een feest georganiseerd voor kunstenaars en werknemers, om informeel van gedachten te wisselen over kunst op de werkvloer. Soms kan een persoonlijke uitleg veel verhelderen. “De meer dan levensgrote portretfoto's van Thomas Ruff gaven sommige medewerkers het onbehaaglijke gevoel dat de geportretteerden misprijzend op hen neerkeken,” vertelt Zapp, “Ruff is uitgenodigd zijn werk toe te lichten en omdat de mensen hem aardig vonden, dichtten ze de portretten ineens ook een veel vriendelijker gezicht toe.”

Op de Tresor, de streng bewaakte verdiepingen waar geld en waardepapieren zijn opgeborgen, hangt tussen het geheimzinnige, donkere werk van de Oostenrijkse schilder Siegfried Anzinger een trofee van een jachtvereniging, in de vorm van een schietschijf versierd met kitscherige plaatjes van herten en vossen. Op mijn vraag of hij de kunst die hier hangt niet mooi vindt, zegt een beveiligingsbeambte: “Ik kijk er nooit naar, het interesseert me niet.”

Zapp vindt dat geen probleem: “De werknemers zijn niet met de kunst getrouwd, ze mogen wegkijken.”

Mensenverachter

Slechts een van de kunstenaars protesteerde tegen opname in de bank-collectie. Walter Dahn schreef in 1987 een open brief aan de Deutsche Bank waarin hij stelt: 'Dit concern, dat de mensenverachter en mensenslachter Botha en zijn corrupte regime ondersteunt, zal ik met mijn werk niet het dekmanteltje van een liberale kunstopvatting omhangen.' Herbert Zapp vindt Dahns protest (de kunstenaar verbood zijn galeriehouders om ooit nog een werk aan de bank te verkopen) 'absolute onzin': “Wij hadden en hebben geen vestigingen in Zuid-Afrika, alleen een vertegenwoordiging. De Deutsche Bank heeft zich herhaalde malen uitgesproken tegen rassenscheiding. Dahn verkocht in die tijd op de Keulse galeriebeurs zijn open brief als multiple; de opbrengst stuurde hij naar de Zuid-Afrikaanse bevrijdingsbeweging ANC. Hij bood mij ook een exemplaar aan, we moesten er allebei om lachen. Ik heb het niet gekocht, nee, ik heb gezegd: 'Ik koop je argumenten niet af'.”

Voldaan vertelt Zapp dat hij ondanks Dahns verkoop-verbod toch aan werk van de kunstenaar wist te komen; door onderhandse verkopen uit particuliere collecties kon de etage van Dahn toch volgehangen worden. Zapp heeft zelfs enkele werken van Dahn in zijn prive-collectie. Politiek wordt vermeden in de collectie, het zou medewerkers agressieve reacties kunnen ontlokken, meent Zapp. Ook zorgt hij ervoor 'nicht zuviel Korper' aan de wanden te hangen: ook naakt kan aanstootgevend zijn. Van de Zwitser Jurgen Klauke is bijvoorbeeld geen travestie-foto gekocht, en van Thomas Florschuetz ontbreken de foto's die onmiskenbaar seksuele suggesties wekken.

Wat representeert de kunst voor de bank en zijn medewerkers? 'Geist' vindt Zapp een te groot woord, hij wil de collectie 'niet overschatten'. “Ik vind dat de kunst hier niet alleen maar het slagroomtoefje op de taart is, maar wel degelijk deel uitmaakt van het deeg dat dit bedrijf maakt tot wat het is,” zegt Zapp. “De kunstenaars zijn blij met ons, zij kunnen het geld goed gebruiken, en wij laten wat van hun glans op ons afstralen. We hebben elkaar nodig.” Zapp, die over twee maanden met pensioen gaat maar wel blijft aankopen voor de Deutsche Bank, vindt overigens niet dat er een groot verschil is tussen de levenswijzen van kunstenaars en bankiers. “Sommige kunstenaars hebben een luxueuzer leven dan ik, bezitten complete kastelen, rijden in uitstekende auto's en reizen de wereld rond.” Hij zegt het met een jaloerse ondertoon in zijn stem, voor het eerst lacht hij.