Tien jaar Puntgaaf in Groningen; Een hekel aan bombastische vormgeving

Het liefst zou hij voor zichzelf een museumpje voor toegepaste kunst beginnen. Maar voorlopig houdt Cor de Nobel het bij z'n galerie Puntgaaf in Groningen, die tien jaar bestaat. De Nobel breekt een lans voor avantgardistische vormgeving in het noorden van Nederland.

Jubileumexpositie 'Tien Jaar Puntgaaf' - 12 ontwerpers. T/m 1 mei. Stoeldraaierstraat 56a, Groningen. Wo t/m vr 13-18u, za 11-17u. Inl 050-182878.

'Wij streven er dus naar de beste galerie voor toegepaste kunst, in op z'n minst Nederland, te zijn', staat geschreven op de toegezonden brochure. In de catalogus ter gelegenheid van tien jaar Galerie Puntgaaf in Groningen is het iets anders geformuleerd: “Mijn diepste wens is om nog eens een museumpje voor toegepaste kunst te beginnen. Want er is in Nederland geen plek waar het hele scala aan Nederlandse toegepaste kunst wordt verzameld, terwijl er wel voldoende kwaliteit aanwezig is.”

Cor de Nobel begon Puntgaaf in januari 1984, in een kleine zwartgeverfde kelder onder een supermarkt in de Groningse Stoeldraaierstraat, samen met zijn vrouw Astrid van der Vlugt. Inmiddels heeft hij er twee keer zoveel ruimte bij gekregen en verwierf hij met exposities van vooral jonge ontwerpers landelijk naam. Gebruikskeramiek, bijzondere sieraden, avantgardistische architectuur, grafiek, meubelen en exclusieve stofontwerpen zijn de verschillende disciplines waarop Puntgaaf zich heeft toegelegd.

Het zijn ook deze zes disciplines die getoond worden op de jubileumexpositie '10 jaar Puntgaaf'. Een expositie die galeriehouder Cor de Nobel niet zelf heeft samengesteld, maar waarvoor hij, anders dan anders, zes experts heeft uitgenodigd: de kunsthistorici Ans van Berkum (sieraden), Marjan Unger (textielontwerp), Gerard Lakke (grafiek), meubelontwerper/docent Gerrie Babtist, ontwerper/docent Gijs Bakker (keramiek) en architect Sjoerd Cusveller. Aan hen werd de vraag voorgelegd om binnen hun specialisme één gerenommeerde ontwerper te kiezen en één 'aanstormend talent'.

Van de zes duo's die werden uitgekozen is slechts beperkt maar representatief werk te zien. Sieraden van Marion Herbst en Ted Noten; meubels van de Berlijner Herbert Jakob Weinand en van Tejo Remy; textiel van Ravage (Arnold van Geuns en Clemens Rameckers) uit Parijs en van Leentje Rubinstein; architectuur van Fritz Auer en Karlheinz Weber (met tekeningen en foto's van het bekroonde maar nimmer gebouwde ontwerp voor het Duitse paviljoen in Sevilla) en van de jonge Utrechtenaar Ben van Berkel (met zijn ontwerp voor het kantorencomplex aan de Zuidelijke Rondweg in Amsterdam). Voor keramiek waren vazen van Geert Lap en Marc Newson uitgezocht. En hoewel de catalogus uitgebreid ingaat op het werk van Lap, zijn de afgebeelde vazen in Puntgaaf niet te zien. Hij was op het laatste moment niet tevreden over de uitvoering van zijn eigen werk, aldus Cor de Nobel. Als grafische vormgevers werden Anthon Beeke en de inmiddels in Amerika woonachtige Chris Vermaas uitgezocht.

'Wat ik zelf zo aardig vind aan deze expositie', zegt Nobel, “is dat binnen elke discipline zo goed te zien is hoeveel vrijer de oude rotten werken. De jongere talenten zitten nog vast aan strakke, zelf opgelegde normen.” Tien jaar Puntgaaf heeft volgens Cor de Nobel in Nederland, maar ook in Duitsland, de toegepaste kunst op een opvallende manier onder de aandacht gebracht. “Maar zonder sponsoring, zonder subsidies, zonder donateurs zou de galerie niet kunnen bestaan. Toegepaste kunst wordt in vergelijking met autonome kunst nog nauwelijks verzameld. Als Puntgaaf het van de verkoop had moeten hebben, was de galerie al lang gesloten.”

Cor de Nobel hoeft niet te leven van zijn galerie. Ruim tien jaar geleden werd hij om psychische redenen afgekeurd als docent aan de Academie voor Sociale en Culturele Arbeid (de Asca) in Groningen. “Eigenlijk ben ik kunstschilder”, zegt hij, “maar een aantal levensfeiten heeft mij aan het wankelen gebracht. Schilderen kan ik niet meer.”

De Nobel, geboren in Brunssum als zoon van een timmerman die in de mijnen werkte, werd als puber drie keer opgenomen in een kliniek voor tuberculose, onder andere in Zonnegloren in Soest. In Rotterdam, waar het gezin naartoe verhuisde, ging hij naar de kunstacademie. Daarna vestigde hij zich in Dordrecht waar hij zich niet alleen bekende tot de informele schilderkunst, maar voor zichzelf en voor zijn geestverwanten (Armando, Jan Schoonhoven, Henk Peeters, Jan Hendrikse) galerie Punt 31 oprichtte. Cees Buddingh, een van zijn medepatiënten in Zonnegloren, zat in het bestuur. “Wij zetten ons destijds af tegen het veel te positieve tijdsbeeld van de Cobragroep”, aldus De Nobel, “alsof alles na de oorlog weer ineens goed was. Dat was het niet.” Punt 31 verwierf bekendheid, maar leverde financieel niets op. “Zelfs van Armando werd in die tijd niets verkocht.”

Na zijn afkeuring bracht Puntgaaf uitkomst. Anders dan de bekende design-vitrine bij Boymans-Van Beuningen toont De Nobel vooral handgemaakte toegepaste kunst. “Ik denk dat die keuze iets te maken heeft met mijn vader. Die maakte in de avonduren houtsnijwerk, gebruiksvoorwerpen, die ik prachtig vond.” Pratend over de nogal eclectische smaak die de afgelopen tien jaar Puntgaaf een eigen plek in de Nederlandse galeriewereld heeft gegeven, komt ook de sinds enkele jaren bestaande Puntgaafprijs te sprake. “We hadden ineens 1000 gulden op onze bankrekening van een anonieme sponsor met de mededeling 'voor de Puntgaafprijs'. Die hebben we toen toegekend aan onze eigen grafisch ontwerper Klaas de Vries. Inmiddels is de prijs een jaarlijks terugkerend fenomeen en betalen diverse sponsors eraan mee.”

Over zijn exposities zegt De Nobel: “Ik heb een hekel aan bombast. De dingen die ik de afgelopen tien jaar heb laten zien vond ik zelf mooi. Dat is mijn criterium. Maar ik kan nauwelijks omschrijven waarom. En lang niet alle toegepaste kunst in Nederland spreekt mij aan. Ik vind het ook een vreemd fenomeen dat veel autonome kunstenaars tegenwoordig toegepaste kunst gaan maken. Het omgekeerde is namelijk niet het geval.”

    • Fred Backus