THEO BOSCH 1940 - 1994; Gewetensvol architect

Als een gemoedelijke wijkagent wandelde of fietste de architect Theo Bosch, die gisteren op 53-jarige leeftijd overleed, door de Amsterdamse binnenstad. Met een zwarte hoed op en zijn massieve gestalte steevast gehuld in een donkere uitmonstering, trok hij langs zijn bouwwerken in staat van wording, als laatste de opvallende, ovale uitbreiding van de Universiteit van Amsterdam op het Binnengasthuisterrein, waar zojuist de ramen zijn ingezet.

Hij was een man van weinig woorden, maar het tegendeel van bescheiden, zoals geen enkele architect die aan de weg timmert bescheiden is. Als hij zijn mond open deed, dan was dat meestal om kritische geluiden te laten horen, want Theo Bosch streed onafgebroken tegen de verloedering van de architectonische professie, tegen de baatzuchtige opdrachtgevers, tegen de bureaucratie in de bouwwereld, tegen de culturele vervlakking van de architectuuropleidingen.

In het midden van de woelige jaren zestig werd bouwkunde-student Theo Bosch door architect-docent Aldo van Eyck weggeplukt van de Academie van Bouwkunst en als tekenaar op het bureau van de meester neergezet. In 1971 ontstond het bureau Van Eyck & Bosch dat zich vooral toelegde op woningbouw in de sociale sector. Theo Bosch ontpopte zich als een buitengewoon betrokken ontwerper, die solidariteit met de bewoners hoog achtte en het tot zijn taak rekende om het ingewikkelde normenstelsel van de Nederlandse volkshuisvesting tot in de verste uithoeken te doorgronden. Met dit instrumentarium en aanvankelijk onder invloed van Van Eyck ontwikkelde hij een eigen stijl van woningbouw die zich kenmerkt door veel glas, door ruime, ronde erkers die uit vlakke panelen zijn opgebouwd en balkons met een open balustrade. De woningbouwcomplexen uit de jaren zeventig in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt (onder andere het Pentagon) en in de Jordaan zijn mooie voorbeelden van wat er met de bescheiden beschikbare middelen in de sociale woningbouw mogelijk is.

Bosch was zo hartstochtelijk en gewetensvol verslingerd aan het architectonische en stedebouwkundige métier dat hij, samen met Van Eyck, weigerde om in Almere honderden woningen te ontwerpen, omdat deze slaapstad was bedoeld om de bevolking te herhuisvesten die uit Amsterdam zou worden weggesaneerd. Eerst moest het woningenbestand in Amsterdam op een behoorlijk peil worden gebracht. In Almere heeft Bosch derhalve nooit gebouwd, wel in Zwolle, Deventer - de woningen aan de Sijzenbaan zijn internationaal geroemd - en Utrecht. De samenwerking tussen Van Eyck en Bosch werd verbroken naar aanleiding van het gebouw van de Letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam. De ontwerpopvattingen van leerling en meester waren zodanig uiteengelopen dat Bosch zich van Van Eyck losmaakte met de historische opmerking: “Je kan niet met z'n tweeën een potlood vasthouden.” Bosch voltooide het faculteitsgebouw.

Na de 'Letterenfaculteit', alom gewaardeerd om de mooie geledingen van de bouwmassa en de zorgvuldige inpassing in het kwetsbare stedelijk weefsel van Amsterdam, heeft Bosch zich weer vrijwel uitsluitend aan huisvesting gewijd. En zo zal hij herinnerd blijven, als de volhardende woningbouwer die als geen ander wist tegen te houden dat er water bij zijn wijn werd gedaan.