Technologie verdringt de schoenmaker

Van de Nederlandse schoenindustrie is niet veel meer over. De bedrijven en bedrijfjes die nog bestaan, hopen te overleven dank zij technologische vooruitgang. Meer kwaliteit en meer marktgericht, maar met minder werknemers.

Midden door 'hoofdstad' Waalwijk van de Brabantse Langstraat loopt een vage streep, die hier en daar wat hoger ligt en is geplaveid met kinderkopjes. Het zijn de resten van de al lang opgebroken NS-verbinding naar Den Bosch, plaatselijk bekend als het Halvezolenlijntje. In de 30.000 inwoners tellende gemeente herinneren nog vele namen aan het schoenverleden. Je hebt er een frituur die de Cambreur heet (naar de stalen veer in de schoen), de koffieshop de Contrefoor (hielstuk) en het cultureel centrum heet er De Leest. Tijdens carnaval noemt Waalwijk zich Schoenlapperslaand.

Zoals een opgebroken spoorlijn altijd een litteken blijft in het landschap zo zijn de sporen van de schoenindustrie niet uit te wissen. “Je bent geboren in een schoenendoos en dat blijft je leven lang bepalen”, zoals de voormalig leraar modelleren W.C. Bink aan de intussen ook al lang opgeheven Waalwijkse Middelbare Technische School voor de leder- en schoenindustrie zegt.

Bink (68) brengt een deel van zijn leven door in het Leder- en schoenmuseum van Waalwijk. Daar treffen meer oude makkers van weleer elkaar. Daar vertellen ze vol weemoed maar soms ook met zekere bitterheid over de oude tijd, met de steeds terugkerende vraag of het ook echt wel zo'n goeie tijd was. Daar leggen ze de bezoekers (er komen er tussen de 25 en 30.000 per jaar, red.) met behulp van machines uit hoe het vroeger ging met het zwikken, het schrooien en het overhalen. Want al betekent de schoenindustrie er steeds minder, het hart van menig 'Walleker' (dialect voor Waalwijker) blijft er hevig voor kloppen. Zoals de oud-werknemer W. van Wanrooij met 43 jaar ervaring in maar liefst zes schoenfabrieken zegt: “Je gaat er nog altijd mee naar bed en staat ermee op. Het is een tick, maar heeft niet iedereen recht op zijn afwijking?” In zijn vrije tijd maakt hij thuis nog steeds schoenen voor familie, vrienden en bekenden. In Kaatsheuvel, zo is bekend, staat achter menig huis nog altijd een klein schoenfabriekje. “Vroeger was dat het geval in elk kippenhok”, aldus Van Wanrooij. “Je was als het ware tot dit werk veroordeeld omdat er geen ander werk was”.

De Nederlandse schoenindustrie stelt kwantitatief niet erg veel meer voor. In de afgelopen jaren is de ene fabriek na de andere gesloten of werd het personeelbestand flink gereduceerd. Onlangs nog kwam de fabriek Helioform voor gemaksschoenen in Drunen in de problemen, maar na een faillissement kon ze in afgeslankte vorm blijven voortbestaan. De produktie wordt overgebracht naar Polen. Eveneens vorige maand sloot het fabriekje Derby in Waspik zijn poorten en kwamen de laatste zeven werknemers op straat te staan omdat Defensie en PTT op andere modellen overstapten die Derby niet kon maken. De kinderschoenenfabriek Jochie in Rijen brengt ook de nog resterende produktieactiviteiten over naar Marokko, waardoor zestien werknemers overbodig worden. Alleen de produktontwikkeling en de verkoop blijven in Rijen gevestigd.

Gerenommeerde namen als Bloch & Stibbe, Timtur en Pinocchio zijn verdwenen. De naam van de voormalige schoenfabriek Van Haren leeft nog slechts voort in de gelijknamige winkelketen.

In totaal heeft de Nederlandse schoenindustrie nog 2000 mensen in dienst, zijn er 40 bedrijven met meer dan tien personeelsleden en zijn er nog ongeveer tachtig eenmansbedrijven over. Tezamen maken ze tussen de 5,5 en 6 miljoen schoenen per jaar, waarvan 10 tot 15 procent wordt geëxporteerd. Ter vergelijking: in 1960 waren er nog 227 schoenfabrieken met in totaal 16.600 werknemers. Toen werden er nog per jaar 36 miljoen paar schoenen gemaakt.

Voorzitter W.M. Soeterboek van de in Tilburg gevestigde Federatie van Nederlandse Schoenfabrikanten, zelf voormalig mede-eigenaar van de schoenfabriek Napolina in Kaatsheuvel: “Er zullen de komende jaren best nog wat bedrijven afvallen, maar wat overblijft is goed gezond. Ik denk dat er een stop aan de sluitingen komt”.

Het is middagpauze in de schoenfabriek Napolina in Kaatsheuvel. Dat is zo'n typisch Langstraatdorp met lintbebouwing. Tegenwoordig is het vooral bekend van de Efteling. De machines staan stil. Maar de geur van leer en lijm blijft er dag en nacht hangen. Leesten dragen er lieftallige meisjesnamen. Het is een proper ogend fabriekje met 45 personeelsleden, goed voor een jaarlijkse produktie van 70 tot 80.000 paar. Vader en moeder Soeterboek richtten het in 1946 op. Vader Soeterboek was schoenmaker bij de fabriek PeHaVe in Kaatsheuvel, moeder Soeterboek werd gerekend tot een van de beste schoenenstiksters in het dorp. En vaklui waren in die tijd zó gewild dat schoenfabrikanten zich niet ontzagen om ze bij de concurrenten weg te pikken met premies, huizen en lonen die gedeeltelijk zwart werden uitbetaald.

Dat overkam ook schoenmaker Van Wanrooij herhaalde malen omdat hij destijds de eerste lijmzwikker aan de machine was en per dag wel 1600 paar schoenen door zijn handen gingen. “Zelfs uit Amerika kwamen ze naar mijn werk kijken. Aan schoenmaken heb ik nooit een hekel gehad, wel aan de omstandigheden in de fabrieken. Onder de directeuren en bedrijfsleiders zaten ware tirannen, die er op letten hoe vaak je naar de wc ging en dan vroegen: hedde ge 't misschien aon oew waoter?”

Napolina maakt damescomfortschoenen die in de winkel tussen de 200 en 275 gulden per paar kosten. De reclameslogan luidt: “Uw voeten reizen eerste klas”. Specialiteit is het maken van schoenen in drie wijdtes: extra smal, normaal en extra breed in de maten 32 tot en met 46, want de meisjesvoeten worden steeds groter. “We zijn echt tevreden met onze resultaten. Als je maar heel serieus, heel consequent marktgericht bezig bent dan kun je zelfs in deze tijd van economische recessie het hoofd boven water houden. Je moet je bovendien specialiseren”, aldus nazaat Wim Soeterboek van vader Marinus.

Hij verwijst naar het als gezaghebbend omschreven boek van Louise Kemps van 1990: De Brabantse schoenindustrie in historisch en marketingperspectief: “De kracht, de sterke punten van de huidige (Nederlandse) schoenindustrie? Constante hoge uniforme kwaliteit, perfecte pasvorm, gezonde schoenen, uitgebreide maatvoering in zowel lengte- als breedtematen, betrouwbaarheid in levering en levertijd, uitstekende klachtenprocedures en korte communicatielijnen”, aldus Kemps in haar boek. Soeterboek: “Het seizoen wordt steeds korter vandaar dat die korte lijn heel belangrijk is. Een detaillist heeft er best 5 tot 10 gulden per paar meer voor over als hij zijn klanten prompt kan bedienen en dat kunnen wij Nederlandse fabrieken beter dan een fabriek uit een ver land”.

Uit een recent consumentenonderzoek in opdracht van de schoenendetailhandel kwam vast te staan dat de Nederlandse consument bij het kopen van schoenen in deze volgorde let op de volgende zaken: of ze lekker zitten, of ze comfort bieden en of ze van behoorlijke kwaliteit zijn. Pas op de vierde plaats blijkt hij zich druk te maken om het model, dat wil zeggen de vraag of een schoen met de mode meegaat of niet.

Maar van de andere kant, zo schreef Kemps ook in haar boek, zijn in de Nederlandse schoenindustrie “het marktonderzoek en de marketinginformatie onderontwikkeld (-) en houdt de top van veel bedrijven zich teveel bezig met tactische en operationele zaken en te weinig met beleidszaken”. Daarin komt volgens Soeterboek nu verandering. De Nederlandse schoenindustrie gaat, zo staat er in het zo juist verschenen concept-beleidsplan, de komende drie jaar werken aan de promotie van de Nederlandse schoen via de plaatselijke en landelijke media. Het ministerie van Economische Zaken overweegt daaraan een subsidie te geven op voorwaarde dat de activiteiten zijn gericht op behoud van de werkgelegenheid en handhaving van het marktaandeel. Verder wil men van produktgericht meer marktgericht gaan werken, aldus Soeterboek.

Ook wil de Federatie de opleiding verbeteren. In Den Bosch worden op hbo-niveau mensen voor de schoenindustrie opgeleid. De Aademie voor beeldende kunsten in Arnhem kent een afdeling schoenontwerpen. In Waalwijk heeft TNO nog altijd het Centrum Leder en Schoen. Dit centrum werkt onder meer aan een systeem voor wat wordt genoemd computergesteund ontwerpen en snijden. In een aantal schoenfabrieken wordt daar al mee gewerkt. Dat geldt voor Bunnies en Durabel in Kaatsheuvel, Van Bommel en Avang in Moergestel en Durea in Drunen. Verder onderzoekt het centrum de wisselwerking tussen de schoen en de gezondheid van de drager met behulp van de zogenoemde biomechanica.

De technologische vooruitgang in de schoenindustrie heeft als voornaamste doel het reduceren van de personeelkosten. Die zijn in Nederland hoog in vergelijking met de zogenoemde lage loonlanden, waarheen dan ook steeds meer van de produktie is overgebracht. Soeterboek: “Veertig procent van de totale calculatie bestaat uit personeelskosten. Tegenover in Nederland een gemiddelde loonkostenpost van 3000 gulden per werknemer staan landen als China met 50 tot 60 dollar per maand, Polen met 300 dollar per maand. Begin daar maar eens tegen op te boksen. Met technologische ontwikkeling kun je, denken wij, tot een reductie van de personeelkosten met eenkwart komen. Op nu drie man personeel is er straks nog maar een nodig”, aldus Soeterboek.