Raadsels

Portugezen palaveren graag over het raadsel van de Portugese ziel. De verhevenheid, omslachtigheid en vaagheid waarmee dit gebeurt, met semantische dwarsverbindingen en grammaticale omcirkelingen, wijzen er vooral op dat ze in hun maag zitten met hun identiteit. Hoe groter het raadsel is dat wordt gesuggereerd, hoe waarschijnlijker de aanwezigheid van een (uiteraard onontraadselbare) oplossing. Ergens. Ook door buitenlanders hier wordt vaak over het raadsel van de Portugese ziel gesproken. In hun geval gissen ze dus naar de redenen waarom hun leverancier te laat is, hun dienstmeisje te lui, hun loketbeambte te ongeïnteresseerd. Waarom hun klok en kalender ineens zulke decoratieve accessoires zijn geworden.

Mij zal het een zorg wezen, het zieleraadsel van de Portugees. Het is onbegonnen werk om op individuele fenomenen een heel volk vast te pinnen. Zo'n abstract raadsel interesseert me niet en als er al een raadsel is, laat het dan vooral een raadsel blijven. Daar zijn de grotere raadselen voor. Ik heb het liever over de alledaagse raadsels van Portugal.

Het raadsel van de blinde muur. Het raadsel van de waslijn. Om er twee te noemen.

Het zal voor altijd onbegrijpelijk voor me blijven waarom Portugezen steevast een blinde muur, of een muur met enkel een piepklein toiletraampje, optrekken aan de kant van het huis waar het uitzicht het mooist is. Natuurlijk, er is die afkeer van licht en zon. Portugal is een land waar ze 's zomers en 's winters de luiken dicht houden. (Geen wonder dat ze er bijna allemaal reumatiek of gewrichtsontsteking hebben.) Maar ook als het schitterendste panorama aan de noordkant ligt bouwen ze hun huis met de rug er naar toe.

Om op zondag met de picknickmand naar de bergen of naar een overhangende parkeerplaats langs de weg te trekken om van het uitzicht te genieten.

Dan is er het raadsel van de Portugese waslijn. Altijd hangt de was te hoog, pal bij de dakgoot, op de tweede verdieping van onafgebouwde huizen, in ruïnes, uitwaaierend boven de snelweg, en altijd op geïmproviseerde stokken of aan bestaande uitsteeksels bevestigd, altijd schots en scheef. Aan boomtakken, aan kromgegroeide stokken, aan uitsteeksels van betonvlechtwerk, aan telefoon- of elektriciteitspalen. Op onbereikbaar lijkende hoogtes en nooit, nee nooit kwam iemand op het idee er twee stevige, rechte palen voor in de grond te slaan, speciaal bedoeld voor de was, met een strakke lijn die binnen de reikwijdte van mensenhanden valt. Onverstoorbaar blijft men doorgaan met halsbrekende toeren, met hijsen en takelen, met het aantrekken en laten vieren van gerafelde touwen, met het zoeken naar de ingewikkeldste en bochtigste weg tussen twee punten.

Wie dát raadsel oplost heeft pas echt een bijdrage aan de verklaring van de volksziel geleverd.

    • Gerrit Komrij