Nieuw Biesbosch-museum geopend; De tijd van steuren en grienduilen

De bies van de Biesbosch is allang overwoekerd door braam en brandnetels. Het nieuwe Biesboschmuseum herbergt alles wat het loodje heeft gelegd: een hoepmakerij, stoelenmatterij, vuurduvels en kooikisten.

Het nieuwe Biesboschmuseum bevindt zich in Werkendam, Hilweg 2 en is zowel over water als over de weg bereikbaar. Di t/m za 10-17u, zo 12-17u. Inl 01835-4009.

Huib den Tuinder (62) uit Sleeuwijk (N-Br) is de enige Nederlander die een rijshaak op zijn revers draagt: een speciaal voor hem vervaardigd miniatuurtje in zilver van het gereedschap waarmee de voormalige griendwerkers in de Biesbosch de takken van de wilgen hakten. Het kleinood mag als eerbewijs gelden voor de man die de grondslag heeft gelegd voor het Biesboschmuseum, dat gisteren door staatssecretaris Gabor (natuurbeheer) is geopend. Sinds 1984 bestond al zo'n museum boven een restaurant bij de Spieringsluis, een kilometer of zes achter Werkendam, maar dat was van meet af aan te bekrompen om de collectie te herbergen en daarom is er in de buurt, in polder de Pannekoek aan het Gat van Lijnoorden, een compleet nieuw gebouw met vier keer zoveel vloeroppervlak neergezet.

Zonder Den Tuinder zou het nooit zo ver gekomen zijn. Vanaf 1958 werkte hij op het Arbeidsbureau in Almkerk en hield hij zich beroepshalve bezig met de riet- en griendcultuur in de Biesbosch, toen nog een onvervalste zoetwatergetijdendelta waar de vloedstroom tweemaal daags binnendrong. Dat veranderde in 1970 door de afsluiting van het Haringvliet, maar Den Tuinder is dezelfde gebleven: een 'Biesboschgek', zoals hij zich noemt, die in de loop der jaren zowat alles verzamelde wat met verdwenen of bijna uitgestorven Biesboschberoepen te maken had. Het begon met zo'n rijshaak, die hij aan de muur van zijn kantoor hing, er kwam een pooknetje bij, een oude vuurduvel en een kooikist, net zo lang tot de ambtelijke ruimte praktisch uit haar voegen barstte. Later is de hele handel overgebracht naar het pand bij de Spieringsluis om na bijna tien jaar nogmaals te verhuizen en een definitieve bestemming te vinden in het gebouw (ontwerp Jan Timmer) aan het Gat van Lijnoorden.

Den Tuinder toont zich aan de vooravond van de officiële opening een tevreden man, die een lang gekoesterde wens in vervulling ziet gaan: “Ik zie dit museum als een monument voor een leger van anonieme ploeteraars. Tot na de oorlog was de Biesbosch het domein van de grienduilen, arbeiders uit de omtrek die het wilgehout oogsten; zwaar werk dat vaak onder slechte omstandigheden moest worden verricht. 's Maandags morgen in alle vroegte trokken ze met hun blauw geëmaillieerde tuitkan de griend in om er pas zaterdags weer uit te voorschijn te komen. In die tussentijd huisden ze in armzalige keten, waar de wind doorheen gierde en de ratten vrij spel hadden. Meer dan brood, aardappels en een reep vet spek kregen ze niet te eten.”

Geen periode dus om met overdreven nostalgie op terug te zien, maar belangwekkend genoeg om in museale vorm vast te leggen. Temeer omdat de griendwerkers als beroepsgroep uit de Biesbosch zijn verdwenen sinds massaal werd overgeschakeld op kunststof materiaal in plaats van wilgehout. “Ook de rietcultuur heeft hier het loodje gelegd”, aldus Den Tuinder. “Door de gewijzigde waterstand bleven de rietgorzen verstoken van vocht, zodat ze langzaam verkommerden en overwoekerd raakten met brandnetel en braam. En het gewas waaraan de Biesbosch zijn naam ontleent, is er praktisch ook niet meer.”

Maar het museum brengt alles weer terug: de hoepmakerij en stoelenmatterij, de griendwerker in zijn keet en de schaftark voor de rietsnijders, stuk voor stuk natuurgetrouwe opstellingen die soepel overgaan in decorschilderingen, waarmee Daan Gort uit Woudrichem een soort Panorama Mesdag-effect weet op te roepen. Net echt is buiten het gebouw gewoon echt. Een aangrenzend stuk van polder de Pannekoek, overwegend griend, is tot buitenmuseum uitgeroepen en deels veranderd in een salicetum (van het Latijnse salex of wilg, een wilgentuin dus) met rond de zestig Nederlandse soorten. “Er wordt nu gewerkt aan een eendenkooi en de bedoeling is het tijverschil van vroeger te herstellen.”

Binnen kreeg de natuur veel ruimte toegemeten met uitstallingen van opgezette dieren, waaronder een breed assortiment uit de vogelwereld, een aquarium met levende en een zogenoemd paludarium met geprepareerde vissen. In het laatste geval voornamelijk soorten die uit de Biesbosch zijn verdwenen: fint, elft en houting bijvoorbeeld en de legendarische steur, waarvan Den Tuinder een drie meter lang exemplaar uit Rusland wist te betrekken.

Ook laat de Biesbosch daar bij de Pannekoek iets van zijn oorlogsverleden zien. Het was bepaald geen fout gebied. Onderduikers wisten zich met succes te verstoppen in de doolhof van kreken en killen en in 1944-1945 werden hier regelmatig crossings tussen het nog bezette Holland en het bevrijde Zuiden uitgevoerd. De hoogst gevaarlijke tochten met wankele bootjes gingen van Werkendam naar Drimmelen of van Sliedrecht naar Lage Zwaluwe. Mannen als Aike van Driel, Jan de Landgraaf en Piet van den Hoek brachten zo honderden gezochte figuren over, van geallieerde piloten tot jongens die de arbeidsinzet ontvluchtten. Eind 1944 werden op twee binnenschepen in de Biesbosch 75 Duitse militairen gevangen gehouden.

Uiteindelijk is naar een ver verleden teruggegrepen. De Biesbosch dankt zijn ontstaan aan de Sint Elisabethsvloed van 1421, die enkele tientallen dorpen verzwolg in wat voordien de Grote of Zuidhollandse Waard heette. Omstreeks 1950 zijn fragmenten van gotische kerkramen en kloostermoppen uit de modder opgediept en bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek ondergebracht. Voor het Biesboschmuseum resteerde slechts een stuk middeleeuws hout, waarschijnlijk het gebint van een boerderij die ooit in het verdwenen dorp Sint Erkentrudiskerke heeft gestaan.