Nederland alfaland

Meer aandacht voor Research and Development (R&D) in de technische en natuurwetenschappelijke disciplines is van cruciaal belang wil Nederland verzekerd blijven van een goede concurrentiepositie op de wereldmarkt.

Dit concludeert het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie in haar rapport 'Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren 1994' dat afgelopen donderdag is gepresenteerd. Het NWOT, ingesteld door het ministerie van onderwijs en wetenschappen, heeft de Nederlandse prestaties op het gebied van wetenschaps- en technologiebeleid in internationaal perspectief geplaatst. De 'voedingsbodem' voor R&D in Nederland, de R&D-infrastructuur en de R&D-resultaten (in de vorm van octrooien, publikaties en citaties) zijn hiertoe systematisch in kaart gebracht.

In het NWOT participeren het Centrum voor Wetenschaps- en Technologie-Studies (CWTS) in Leiden, het Maastricht Economic Research Institute on Innovation and Technology (MERIT) en het Nederlands Bureau voor Onderzoek Informatie (NBOI) in Amsterdam. Het indicatoren-onderzoek, dat aansluit bij eerdere rapporten van de Raad van Advies voor het Wetenschap Beleid (RAWB) uit de jaren tachtig, zal om de twee jaar worden herhaald.

De instroom van studenten in de bèta-richtingen blijft in Nederland relatief achter. Liever kiest men voor psychologie of de letteren. Dit gebrek aan belangstelling en waardering voor de exacte vakken is, aldus het NWOT-rapport, gevaarlijk: 'Zonder voldoende toponderzoekers en -technici zullen welvaart en welzijn onder druk komen te staan.' Daar komt bij dat Nederland al zeven jaar steeds minder geld aan R&D uitgeeft. 'Aziatische tijgers' als Zuid-Korea en Singapore zijn bezig ons voorbij te streven. Op grond van Haagse beleidsvoornemens verwacht het NWOT dat de dalende trend zal aanhouden, ook al staat R&D tegenwoordig water hoger op de agenda.

Internationaal gezien presteren Nederlandse wetenschappers nog altijd redelijk tot goed, al zijn er hier en daar wat ondermaatse gammarichtingen. Met ruim 2% van het wereldtotaal aan wetenschappelijke publikaties staat ons land vijfde op de Europese ranglijst. Vooral in landbouwwetenschappen, tandheelkunde en chemische technologie blinken we uit.

Deze paradoxale situatie - minder geld en toch een behoorlijk resultaat - laat zich, behalve door 'na-ijleffecten', verklaren doordat vooral het bedrijfsleven het op R&D-gebied laat afweten. En dankzij goedkopere aio's weten de universiteiten hun prestatienivau bij teruglopende middelen te handhaven.

Het imago van wetenschap en techniek, aldus het NWOT, behoeft drastische verbetering. Een kritische houding ten opzichte van nieuwe technologieën is begrijpelijk, maar brengt grote risico's met zich mee. 'Het zijn de natuurwetenschappelijke en technische disciplines die bijdragen tot welvaart en welzijn.' Waar het bij de Nederlandse overheid aan ontbreekt is commitment. Door op geloofwaardige wijze in wetenschap en technologie te investeren - milieu lijkt het NWOT een strategisch handige keuze - moet zij de samenleving het goede voorbeeld geven. Pas dan zullen bedrijven en burgers wetenschap en technologie een prominentere rol willen toedichten.

Dat laatste is hard nodig. Uit de NWOT-cijfers blijkt dat de Nederlandse economie op de 'technologische handelsbalans' een groeiend tekort vertoont. Een sterk eenzijdige oriëntatie op technologie, het geheim van de Zuidoostaziatische landen, is voor Nederland geen oplossing. Daarvoor hechten wij te sterk aan ons sociale en culturele erfgoed. Maar van de voortrekkersrol die de overheden in die landen op R&D-gebied spelen, kan ons land heel wat leren. Zo niet, dan zijn we overgeleverd aan netto-technologie-exporterende landen als de Verenigde Staten en Japan.