Monumenten van onvermogen

De diplomatieke mode is momenteel bruggen bouwen. De Atlantische oceaan is geen belemmering, evenmin als de Russische steppe. Overal zijn de tekenaars van diplomatieke blauwdrukken druk in de weer. In een Haagse studie wordt Nederland beschreven als de voor de hand liggende brug tussen Duitsland en de Europees-Atlantische wereld. De Duitse minister van buitenlandse zaken, Klaus Kinkel, sprak in Parijs van de wenselijkheid van een Frans-Duitse pijler onder een Atlantische brug en van het nut van een Frans-Duitse brug naar Polen. Zijn ambtgenoot van defensie, Volker Rühe, wees in St. Petersburg op de noodzaak de NAVO om te smeden tot een brug naar Rusland. Het gaat al met al om innovaties na een tijdperk waarin de bouw van het Europese huis van Gorbatsjov en de oprichting van een Europese zuil onder een Atlantisch dak in het middelpunt stonden. Wie goed kijkt ziet het dak nu de vorm van een brug aannemen. Die verandering heeft een betekenis.

Intussen ligt onder de waterlijn een gevaarlijk rotsblok. Minister Kinkel heeft kennelijk de contouren ervan ontwaard. Letterlijk zei hij: “Wij streven naar een multidimensionale, fasegewijse vervlechting van de veiligheidsbelangen van alle staten in de regio. Het zou eenvoudig verkeerd zijn de staten van Midden- en Oost-Europa in dit Europa een plaats tussen West en Oost te willen toewijzen. Daarom kunnen we het Russische voorstel om de veiligheid van deze landen eensdeels door de NAVO-staten en anderzijds door de GOS-staten militair te laten verzekeren, niet aanvaarden. Het oude denken in invloedssferen gaat niet langer op. In het nieuwe Europa kan voor zogenaamde sferen van levensbelang, voor het concept van een 'nabij buitenland' geen plaats meer zijn. Met het 'partnerschap voor de vrede' is een instrument geschapen dat stabiliteit naar Midden- en Oost-Europa uitstraalt en Rusland daarbij betrekt.”

Een stevige nuance anders drukte ambtgenoot Rühe zich uit: “Met het Gemenebest van Onafhankelijke Staten is een instrument ontstaan voor regionale veiligheid. De resultaten van de bijeenkomst van ministers van buitenlandse zaken van het Gemenebest op 16 maart in Moskou onderstrepen dit.” Op die bijeenkomst herinnerde de Russische vertegenwoordiger, Andrej Kozyrev, aan een verklaring die hij een dag tevoren in Dushanbe, Tadzjikistan, had afgelegd. Daarin noemde de bewindsman het Ruslands historische plicht om Tadzjikistan, zijnde een voormalige Sovjet-republiek, te beschermen. De grens met Afghanistan was een grens van het GOS en Rusland had de historische plicht die grens te bewaken. Het verzaken van die plicht zou gelijk staan aan verraad. In Moskou zei Kozyrev, sprekend over mensenrechten, speciaal die van etnische Russen in niet-Russische GOS-staten, dat “niemand behalve wijzelf deze problemen kan oplossen”.

De nuances in de woorden van de twee Duitse ministers moeten misschien niet worden overdreven. De steden waar de bewindslieden hun respectieve redevoeringen afstaken vormen vermoedelijk een deel van de verklaring. Rühe kan bovendien niet worden beticht van argeloosheid. Hij was een tijdlang een fervent voorvechter van uitbreiding van de NAVO met de kandidaten Polen, Tsjechië, Hongarije en Slowakije - totdat de Verenigde Staten duidelijk maakten daar niets voor te voelen.

De nuances tekenen vooral de ingewikkeldheid van de actuele toestand. Kinkel en Rühe ondersteunen om te beginnen dezelfde politiek, gericht op het versterken van de collectieve veiligheid. Ook over de daartoe aan te wenden instrumenten bestaat geen verschil van mening: NAVO en CVSE (Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa) worden door beide genoemd. Kinkel wijst ten overvloede op een door de Europese Unie overgenomen Frans initiatief om te komen tot een Europees stabiliteitspact waarin problemen rondom minderheden en grenzen worden geregeld. Spannend wordt het waar de Duitse minister van buitenlandse zaken de Russische politiek gericht op het 'nabije buitenland' eigenlijk onverenigbaar noemt met het streven naar collectieve veiligheid.

Om het nog wat ingewikkelder te maken: Kozyrev zelf meent dat zijn beleid ten opzichte van het 'nabije buitenland' juist een bestanddeel is van de collectieve veiligheid. Er is, meent hij, geen sprake van Russisch 'neo-imperialisme'. Zonder Russische interventie zou chaos ontstaan. En: de partners in het Westen beginnen daarvoor begrip te krijgen.

De Russische bewindsman heeft met dat laatste tot op zekere hoogte gelijk. Maar eerder deze week weigerde de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Boutros-Ghali, op bezoek in Moskou, toch in te gaan op de Russische wens interventietroepen in het 'nabije buitenland' de VN-status te verlenen en blauwe helmen op te zetten. Boutros-Ghali schermde met het formele argument dat op dergelijke operaties niet halverwege het VN-zegel kon worden geplakt. Maar in de praktijk gaat het er natuurlijk om dat ondanks een pragmatische instemming met bijvoorbeeld het buiten de GOS-deur houden van de Afghaanse furie en met het blussen van brandhaarden in de Kaukasus sommige VN-leden het Moskou niet al te gemakkelijk willen maken.

In feite valt het 'nabije buitenland' in twee delen uiteen, het deel dat uitsluitend voor de Russen 'nabij' is en waar ze min of meer hun gang gaan, en het deel dat Europa eveneens als 'nabij' ervaart en waar Russen, zeker gewapende, minder op prijs worden gesteld. Zo bezien lijkt het aannemelijk dat Rühe over het eerste sprak, Kinkel vooral over het tweede: de Baltische landen en de Oekraïne waarachter dan weer Midden-Europa opdoemt. Het probleem is alleen dat de Russen van hun kant een dergelijke tweedeling niet maken. Sterker, als het om de bescherming van Russische minderheden gaat komen landen als Estland, Letland en de Oekraïne voor Moskou bepaald niet op de laatste plaats.

Het is intussen nog maar de vraag of de taboeïsering van invloeds- en belangensferen, waartoe minister Kinkel uitnodigt, een oplossing naderbij brengt. Zeker als de indruk mocht ontstaan dat op die manier de ontwikkeling van een eigen Duitse, Europese of Atlantische invloedssfeer moet worden verdoezeld. Collectieve veiligheid veronderstelt afweging en verzoening van tegengestelde belangen, niet de ontkenning ervan.

Collectieve veiligheid blijft een abstract begrip als er geen herkenbare inhoud aan wordt gegeven. Bruggen in diplomatiek niemandsland worden al snel monumenten van onvermogen.