Ik kan Marx toch niet goed uitstaan

De sociale inzichten van François HaverSchmidt, mens en dominee achter de dichter Piet Paaltjens, waren bescheiden. Dat constateerde de historicus Bert Altena aan het eind van zijn lezing op een symposium in Leiden. De vrijwillige dood van HaverSchmidt, een eeuw geleden, wordt dit jaar herdacht.

Een democraat was HaverSchmidt niet, laat staan een sociaal-democraat of een socialist. Toch schreef Piet Paaltjens revolutionaire verzen. Dat vonden tenminste de zes Leidse studenten die zich in 1871 hadden aangesloten bij de Nederlandse sectie van het Internationale Werklieden-Verbond. Zij declameerden vol overgave de regels uit 'Drie Studentjes' die gaan over 'het lijden dezer eeuw'. Vooral zinnen als 'Maar de dag des gerichts was niet ver meer!/ Reeds kleurde 't morgenrood' deden het goed bij de studenten. Ze hadden dan ook vijftig jaar later - 'Drie studentjes' werd geschreven in 1859 - niet misstaan in een rood strijdlied.

Een van die Leidse studenten was het latere sociaal-democratische Kamerlid Henri van Kol, die de scène in 1918 beschrijft in een artikel met herinneringen aan het Haagse congres van de Eerste Internationale (1872) in het tijdschrift Stad en Land. Deelnemer aan dat congres was Karl Marx, die er succesvol zijn ideologische strijd tegen de linkervleugel van de internationale socialistenclub uitvocht. Op de dag dat het congres begon, op 1 september 1872, hield François HaverSchmidt een paar kilometer verderop, in Schiedam, een lezing over de doelstellingen van de Internationale. Die lezing getuigt, ook dat constateerde Bert Altena, van weinig begrip voor en invoelingsvermogen in de bedoelingen van de nieuwe sociale beweging.

En dat terwijl HaverSchmidt Marx misschien wel eens persoonlijk heeft ontmoet en in elk geval iemand tot zijn vriendenkring kon rekenen die Marx van dichtbij kende en vriendschappelijk met hem omging, namelijk Marx' neef Jacques Philips, die als 'de zwarte slotvoogd van Bommel' figureert in Piet Paaltjens' Jan van Zutphen's afscheidsmaal. Jacques Philips, medestudent van HaverSchmidt in Leiden, later jurist in Rotterdam en rechter in Tiel, was de zoon van de Zaltbommelse koopman Lion Philips en Sophie Presburg, de zus van Marx' moeder. De zoons van Jacques' broer Frits werden de grondleggers van het elektriciteitsconcern.

Hoewel er geen enkel bewijs voor is, is het best mogelijk dat HaverSchmidt en Marx elkaar zijn tegengekomen in Zaltbommel, waar het huis van Lion Philips en na diens dood dat van zijn dochter Henriëtte van Anrooij-Philips een zoete inval was. Van allebei zijn bezoeken daar bekend. Wie Marx in ieder geval wèl in Zaltbommel ontmoette was HaverSchmidts schoonzusje Christine Osti, die niet alleen de zus was van zijn echtgenote maar ook de verloofde van zijn vriend Jacques. Kort voor hun huwelijk overleed ze, in november 1865.

Een half jaar eerder, eind maart 1865, had Christine Osti vanuit Zaltbommel in een brief aan haar moeder geschreven: 'Zondag kwamen plotseling ongeloof en revolutie hier aanrollen, in den persoon van Carl Marx; ik schijn hem altijd aan te moeten treffen, hij is ontegenzeggelijk een buitengewoon interessant en geestig man, maar ik kan hem toch niet goed uitstaan.' Dat was een mening die wel meer mensen over Marx hadden. Christine Osti besloot haar berichten uit Zaltbommel met de opmerking: 'Deze brief is niet heel mooi; mijn vriend Marx zit hardop een preek te lezen om zich in 't Hollandsch te oefenen'.

Ze geeft zo in haar brief een van de weinige niet door herinnering, tijd en ideologie gefilterde portretjes die we kennen van Marx in de huiselijke kring van zijn Nederlandse familie.