'Ik heb geen haat genoeg meer om door te vechten'

OOST-MOSTAR, 7 APRIL. “Ik geloof echt dat er nu vrede komt. Wat moet ik anders geloven! Maar ik denk niet dat ik snel terug naar huis kan. Misschien kom ik wel nooit meer thuis”. Met de geleende pen van een journalist en een piepklein opschrijfboekje loopt Dizdar Ekrem door de straten om de schade van de oorlog op te nemen. Veel kan de architect van het 'secretariaat voor de wederopbouw van de gemeente Mostar' nog niet uitrichten. Een kamertje met een potkachel in een gebouw zonder dak, waar sinds de oorlog met de Kroaten het hele bestuurlijk leven van Oost-Mostar is samengeperst. Een secretaresse en een oude typemachine. Dat is alles waarover hij beschikt.

Nog steeds is Oost-Mostar van de buitenwereld afgesneden. Het akkoord van Washington, waarbij de Kroaten en de moslims van Bosnië eind vorige maand besloten om voortaan samen te leven in één federale staat, heeft nog weinig verandering gebracht in de situatie van de meer dan 55.000 mensen, die in het moslim-getto van Oost-Mostar zijn opgesloten.

Met zachte ogen kijkt Ekrem naar de gebouwen en de huizen van het oude Mostar. “Hier de Coski Mehmed Pasina-moskee, gebouwd in 1617”, zegt hij op trage dicteertoon. “Het dak vernietigd en de romp kapot”. Met zijn handen strijkt hij langs de minaret die als een geknakte zoutstengel aan zijn voeten ligt. Dan is er weer de professie. Tachtig procent van de huizen is vernietigd, schat Ekrem. En van de kerken en moskeeën is vrijwel alles kapot. “Vijf tot tien jaar”, zegt hij rustig. Dan is alles weer opgebouwd. Maar of dat ook voor de mensen geldt?

We lopen door de Maarschalk Titostraat. Geen steen is op de andere. Geen raam in de hele stad is heel gebleven. Het is nog steeds een wonder hoe de mensen hier hebben overleefd. Duizenden vluchtelingen uit dorpen die door de Kroaten etnisch werden 'gezuiverd'. En meer dan tienduizend moslims die uit het westen van de stad zijn verdreven. Samen met de oorspronkelijke bewoners bevolken ze nu de kelders en de enkele woningen die nog overeind zijn gebleven. 'People of the world, help us!'. 'Stop Killings'. 'Help my sick mother now!', schreeuwen de teksten van de oorlog op de resten van een gebouw. “Austro-Hongaars, negentiende eeuw, driekwart verwoest”, dicteert Ekrem verder.

Dan, bij de oude Turkse burcht aan de oever van de Neretva houdt hij stil. Knipperend tegen het felle zonlicht kijkt hij naar de verwoeste brug. Hier is hij in de nacht van 5 september voor het laatst overheen gekomen, vertelt hij. Om drie uur werd zijn deur ingeslagen door soldaten van het Bosnisch-Kroatische leger (HVO). Samen met zijn vrouw, zijn zoon en zeven andere moslim-gezinnen uit zijn straat zijn ze die nacht naar het oosten gedreven. Nu woont er een Kroatisch soldatengezin tussen zijn meubels, zijn platen, zijn boeken. Een buurman heeft het hem een paar weken geleden geschreven. Of hij zijn boeken ooit terugziet? “Ik denk het niet”, zegt Ekrem. “Ik denk eerder dat ze die per kilo hebben verkocht.” Toch werkt het idee dat dit gezin uit de bergen nu in zijn boeken leest hem op de lachspieren.

Hoe zien de mensen in Oost-Mostar nu hun eigen toekomst? Willen en kunnen ze, na alles wat er gebeurd is, weer samenleven met de Kroaten in een gemengd en ongedeeld Mostar? “Natuurlijk”, zegt Alija Alikadic, “de wonden zijn nog vers. Maar als ze niet helen worden we alleen maar zieker.” De vice-president van de oorlogsregering van Oost-Mostar is een en al optimisme. Monter zit hij in zijn uitgerookte kantoor. Hij is niet bereid om de geringste vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van het akkoord van Washington te zetten. “De wereld heeft besloten dat we weer samen zullen leven. En daar hebben de Kroaten zich dus aan te houden. Ze hebben het verdrag toch zelf getekend?” zegt Alikadic. Maar wat denkt hij dan van de recente berichten over grootscheepse plunderingen en de bezetting van moslimhuizen door HVO-soldaten in het westen van de stad? “We hebben de indruk dat de Kroaten toch proberen de stad op de valreep nog etnisch gescheiden te houden”, had een functionaris van de hulporganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) gezegd. Ook deze tegenwerping mag de politicus niet vermurwen. “Als het waar is wat hij zegt, dan zijn dat hoogstens een paar individuen die weldra zullen bijgezet in de souvenirkast van de oorlog,” zegt Alikadic. “Aan de top zijn de commando's van onze twee legers al begonnen met samenwerken. Als er nu misschien nog sprake is van schendingen van het akkoord, komt daar binnenkort een einde aan.”

Dus dat betekent dat iedereen die hier als vluchteling vastzit straks weer rustig naar huis kan? “Zo staat het in het akkoord”, knikt Alikadic. “Of wil Europa soms dat we gescheiden blijven?”

De boodschap aan het adres van Hans Koschnick is duidelijk. Het is op hem, de ex-burgemeester van Bremen die Mostar binnenkort namens de Europese Unie zal besturen, dat de moslims hun kaarten hebben gezet voor de oplossing van het deportatieprobleem.

“Nooit”, schudt de man. “Ik ga nooit meer terug.” Op nog geen vijf meter van de politiek klinken de stemmen van het getto. Een kind drumt met een lange stok op een omgekeerd autowrak. Daarachter een lange rij mensen voor de watertank. Een magere man vertelt hoe hij in het dorp Dovranovici uit zijn huis is gejaagd. “Brand. Soldaten. Gevangenis”, vat hij zijn levensloop samen. Zijn vrouw is nog steeds gevangen. “Kind”, zegt hij. Dan is het stil. Tranen druppen in de emmer, terwijl een jongetje de slang afpikt en hem gauw in zijn eigen jerrycan propt.

“We moeten vergeten”, zegt de jonge soldaat. Op zijn knieën zit hij voor een van de graven die in alle tuinen en perkjes van de stad zijn aangelegd. Zijn kalasjnikov rust tegen een boom, terwijl hij kleine steentjes plant rond een vormeloze hoop aarde. “Dan kunnen we hem straks tenminste nog vinden.” Nee, het is geen medesoldaat. Dit is zijn oom, die zes maanden geleden gestorven is aan een hartinfarct.

Langzaam krabbelt de soldaat overeind. “Benaid, duiker”, stelt hij zich voor. En hij heeft ook wel tijd voor een wandeling. Met een blos op zijn grauwe wangen vertelt hij hoe hij vroeger van de brug afdook. In de zomer waren er wedstrijden tussen de jongens van de stad. Hij was niet de beste, maar bijna de beste. Dan komen ook de foto's uit zijn binnenzak. Vliegend en draaiend gaat hij door de lucht. Dan is er een foto van de beste. “Mijn vriend”, wijst hij. “Dood”, zegt hij. “Een Kroaat”. Zwijgend lopen we verder. “Weet je”, zegt hij na een tijdje. “Ik heb geen haat genoeg meer om door te vechten. We moéten samen leven. Wat moeten we anders? Waar moeten we anders naar toe?” Van politiek heeft hij geen verstand. Maar zoveel heeft hij wel begrepen: het zijn de politici die deze oorlog zijn begonnen. Ja, ook de moslim-politici. En het zijn nu de politici die hem moeten stoppen. “En ondertussen denk ik alleen maar dat ik zo'n honger heb. Dat ik vijf dagen en vijf nachten lang zou willen eten. Maar dat het misschien nog wel vijf jaar zal duren voordat ik hier uit zal mogen.”

Voedsel, water, medicijnen. Voor de meeste mensen in Oost-Mostar lijken deze vragen voorlopig van groter belang dan de hogere wiskunde van de nieuwe federatie. Roepend en schreeuwend had dokter Dragan Milavic die middag voor zijn 'ziekenhuis' gestaan. Een oude bibliotheek waar hij sinds de oorlog op 9 mei vorig jaar begon in de kelders een noodhospitaal heeft ingericht. “Foto, heeft u daar een foto van gemaakt?”, wijst hij op de weggeschoten gevel. “Goed zo”, roept hij en trekt me aan mijn mouw door de gewelven waar hij meer dan negen maanden lang de gewonden van deze kant van de oorlog heeft behandeld. “Daar, kijk, schrijf op”, zegt hij als we de operatiekamer binnenkomen. Op tafel ligt een naakte man. Zijn grijze ogen zijn wijd open. Er gaat een siddering door zijn been. Het andere is er niet meer. “Zijn amputatie is gaan zweren. Wat moeten wij nu?”, roept Milavic en rent alweer naar de volgende ruimte. Een grauw hok met een enkel kraantje waarin een soort bassin is gemetseld. “Hier moeten wij ons wassen, de patiënten wassen, en ook onze instrumenten steriliseren. Vertel eens, hoe moet dat?”

Zo holt hij van de ene naar de andere kant. Langs volle bedden, de generator zonder diesel en de röntgenmachine, waar pas sinds kort een straalbescherming omheen is getimmerd. “Zo, en nu heb ik andere dingen te doen dan te praten over de vrede,” had hij gezegd terwijl hij de deur achter zich dicht trok.