Het achterstel

Kijk waar je loopt, een klodder mest. Pas op je hoofd, die balk. De schuur in en daar liggen ze; de schemering, het stro, met planken afgeschot. De ene is een week, de andere nog maar een dag of drie.

Ze hebben al geleerd. De nadering van klompen op de werf, een schijngestalte in de deur, een mensenstem: hai kalf. Dan staan ze al. Dan spannen ze de keel, dan steken ze de snuit omhoog, het smalle snuitje van een hert.

Ze vragen om je duim. Ze vouwen er hun tong omheen: een natte lap, een warme pijp, de voorpost van de slokdarm en het zuigend ingewand. Als hij niet stevig vastzat aan mijzelf, was ik mijn duim nu kwijt.

Ik doe een stapje terug en kijk en bij dit kijken gaat het om de rechtheid van de rug. Het achterstel een kleinigheidje hoger dan de schoft. Of lijkt dat zo? Of lijkt het juist van niet?

Mij is gezegd dat kalfjes overbouwd ter wereld komen, dat bij het embryo aan de achterpoten een tikje harder wordt gewerkt dan aan de voorpoten. Wat in het kalf iets hazigs is. Of als je wilt: een overblijfsel van het oerrund in de hedendaagse koe.

Van toen een koe met kalf nog werd bejaagd, door dieren met klauwen, door mensen met een spies.

Van toen een koe met kalf nog vluchten kon.

    • Koos van Zomeren