Heeft planetoïde Ida echt een begeleider?

Amerikaanse astronomen hebben aanwijzingen dat planetoïde Ida vergezeld wordt door een satelliet. Ida is een aardappelvormig rotsblok, met een lengte van 52 kilometer, dat tussen de banen van Mars en Jupiter om de zon draait. Het behoort tot de grote schare van objecten die achterbleef na het ontstaan van de planeten, ruim 4,5 miljard jaar geleden. Het vermoedelijke maantje komt voor op vijf opnamen, die de Amerikaanse ruimtesonde Galileo op 28 augustus 1993 maakte toen hij op een afstand van 2400 kilometer langs Ida scheerde.

Vanuit de ruimtesonde werden tijdens deze passage ongeveer 150 detailopnamen gemaakt. Enkele werden direct naar de aarde gezonden, maar de andere bleven opgeslagen in het geheugen van de computer van de ruimtesonde, om later naar de aarde te kunnen worden gezonden. Deze procedure was nodig omdat de hoofdantenne van de sonde niet volledig is uitgeklapt en men voor het overzenden een kleinere hulpantenne moet gebruiken, hetgeen veel meer tijd in beslag neemt.

Op de beelden die Galileo in februari dit jaar naar de aarde begon te zenden zou bij Ida een maan zijn gevonden, zo maakten onderzoekers van het Jet Propulsion Laboratory in Pasadena onlangs bekend. Deze zou een diameter van 2,5 tot 5 km hebben en op een afstand van ongeveer 100 km van Ida staan. Het object vertoont zich op de verschillende opnamen als een vlekje, waarvan de ene kant iets helderder is.

In de jaren zeventig werd verschillende malen melding gemaakt van de vermoedelijke aanwezigheid van een satelliet bij enkele planetoïden. Die aanwezigheid zou zijn aangetoond als zo'n planetoïde precies vóór een ster langs bewoog en het sterlicht na de sterbedekking nòg een een keer verdween. Deze waarnemingen konden echter niet iedereen overtuigen. En ook bij de huidige ontdekking houdt men nog een slag om de arm. Men wil niet het risico lopen dat er bijvoorbeeld een verkleind 'geestbeeld' van Ida zelf in het spel is.

Ida is de tweede planetoïde die van dichtbij door een ruimtesonde is gefotografeerd. De eerste was Gaspra, die op 29 oktober 1991 door eveneens Galileo werd bezocht. Volgens de Belgische planetoïden-kenner Jean Meeus is het heel opmerkelijk dat al bij dit tweede gefotografeerde object een maantje is gevonden. Is dat nu toeval, of zouden er veel meer van die gevallen zijn? En hoe komen die planetoïden dan aan een satelliet?

Het probleem is volgens Meeus niet zozeer de geringe aantrekkingskracht die deze steenklompen op elkaar uitoefenen. Als een begeleider zich maar binnen een bepaalde afstand van de planetoïde bevindt, kan de aantrekkingskracht van de zon er geen vat meer op krijgen (om de satelliet in een eigen baan om de zon te trekken). De nu ontdekte begeleider bevindt zich zo dicht bij Ida, dat aan deze eis wordt voldaan.

Het is echter een raadsel hoe een planetoïde aan zo'n begeleider kan komen. Tijdens botsingen tussen planetoïden kunnen er door fragmentatie nieuwe, kleinere objecten ontstaan. Brokstukken die een grote snelheid hebben vliegen voorgoed de ruimte in, terwijl brokstukken met heel kleine snelheden na verloop van tijd weer terugvallen. Om in een stabiele baan rond een planetoïde te komen, zou zo'n brokstuk óók een duw in zijwaartse richting moeten krijgen en het is vooralsnog onbekend hoe dat op een natuurlijke wijze zou kunnen gebeuren.

    • George Beekman