FMO investeert meer en floreert

DEN HAAG, 7 APRIL. De Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) kan de kapitaalvraag uit Latijns Amerika en Azië nauwelijks aan, terwijl in Afrika de groei van het aantal leningen steeds verder afneemt. Dat meldde de FMO gisteren bij de presentatie van de jaarcijfers. Vorig jaar boekte 'de bank van minister Pronk' een netto winst van 12,7 miljoen gulden en dat is 79 procent meer dan in 1992 toen 7,1 miljoen kon worden bijgeschreven. In totaal heeft de maatschappij 375 miljoen gulden geïnvesteerd in ontwikkelingslanden wat 35 procent meer is dan in het voorgaande jaar.

De FMO, die als doel heeft het bedrijfsleven in de ontwikkelingslanden te stimuleren met langlopende leningen, heeft voor het eerst winst geboekt na aftrek van de exploitatiebijdragen van de overheid. Vorig jaar kon de FMO nog rekenen op een staatssubsidie van 13 miljoen gulden. De overheid schroeft die jaarlijkse bijdrage terug naar 5 miljoen in de komende vier jaar. Het merendeel van de FMO-aandelen is in handen van de staat en vier grote commerciële banken hebben een belang van 40 procent. “We hebben ervoor moeten zorgen dat die winst niet explodeert”, zegt algemeen directeur L.B.M. Mennes schertsend. “Anders vragen de mensen zich straks argwanend af hoe uit die ontwikkelingslanden zo'n winst kan komen.” Het grootste gedeelte van de winst is bestemd voor het fonds waaruit de FMO kredieten verstrekt. De maatschappij overweegt om in de toekomst dividend uit te gaan keren om “gemakkelijker eigen kapitaal aan te trekken”.

De behoefte aan geldleningen uit Latijns Amerika en Azië groeit gestaag. Deze zogenoemde 'emerging market economies' winnen steeds meer het vertrouwen van de internationale kapitaalmarkten en raken daarbij het imago van riskante ontwikkelingslanden kwijt. In Azië heeft de FMO het meeste geld gestoken. Voor ruim 600 miljoen werd daar geïnvesteerd met als belangrijkste landen Pakistan, Indonesië en Turkije. In Latijns Amerika investeerde de FMO in 1993 370 miljoen gulden in ondermeer Mexico, Venezuela en Jamaica. Nieuwkomers in de FMO portefeuille van die werelddelen waren het afgelopen jaar Vietnam, Libanon en Guatemala.

De groei in het aantal toegewezen Afrikaanse leningen neemt jaarlijks af omdat de FMO steeds vaker te maken krijgt met aanvragen van instellingen die financieel ongezond zijn. Toch is vorig jaar voor 80 miljoen geïnvesteerd wat 10 procent meer is dan in 1992. “Aan geld is geen gebrek”, zegt Mennes. “Wel is er een gebrek aan goede projecten.” Van de wereldwijde portefeuille was vorig jaar 62 procent van de bedrijven, waaraan de FMO geld leende, gezond. Wanneer Afrika niet wordt meegeteld ligt dat percentage op 82 procent.

Een ander probleem is de concurrentie van soortgelijke internationale financiële instellingen. De Caisse Française de Développement en de Europese Investeringsbank nemen steeds vaker projecten voor hun rekening met rentepercentages die drie tot vijf procent lager liggen dan bij de FMO.

Het risico om geld te lenen aan Oosteuropese initiatieven is de FMO toch nog wat te groot. In het afgelopen jaar, waarin alleen Roemenië nieuwkomer was, investeerde de FMO daar voor slechts 1,6 miljoen. Mennes: “Nee we zijn daar ronduit ontevreden over”. Volgens de FMO is bij veel bedrijven uit de voormalig communistische landen de financiële administratie niet op orde en is “een grote schoonmaakoperatie” nodig voordat verdere contacten kunnen worden gelegd.