Fiets brengt 30 procent Nederlanders op werk

VOORBURG, 7 APRIL. Drie van de tien Nederlanders gaan op de fiets naar het werk, ruim de helft gaat met de auto en slechts een op de tien gaat met het openbaar vervoer. Dat blijkt uit vandaag gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over 1993.

In vergelijking met 1985 blijkt er weinig veranderd. Het aandeel van de personenenauto is sindsdien gestegen van 48 tot 50 procent, de fiets bleef constant op 31 procent. Ook het openbaar vervoer bleef nagenoeg gelijk op 12 procent.

Als de cijfers worden vergeleken met die van de jaren zeventig, blijken auto en fiets wat terrein te hebben gewonnen op het openbaar vervoer. Bovendien is dan een daling te zien van bromfietsers en voetgangers. De cijfers hebben alleen betrekking op mensen die een vaste werkplek hebben en ten minste twaalf uur per week werken.

Alleen op korte afstanden wint de fiets het ruimschoots van de auto. Van de mensen die minder dan tien kilometer van het werk wonen nam vorig jaar de helft de fiets en een derde de auto. Als de afstand meer is dan tien kilometer, gaat driekwart met de auto en neemt ook de trein in betekenis toe.

Mannen maken meer gebruik van de auto dan vrouwen. Vorig jaar gingen ongeveer zes van de tien mannen en vijf van de tien vrouwen met de auto naar het werk. Het CBS tekent daarbij aan dat vrouwen gemiddeld dichter bij het werk wonen. Vrouwen werken meer dan mannen in deeltijd en deeltijdwerkers wonen gemiddeld dichter bij hun werk dan voltijdwerkers.