Delicate taak voor Koschnick in Mostar

BONN, 7 APRIL. Als kanselier Helmut Kohl en minister Klaus Kinkel (FDP, buitenlandse zaken) in dit verkiezingsjaar één SPD'er alle goeds toewensen, is het Hans Koschnick. Deze vroegere burgemeester van Bremen (1967-1985) krijgt als 'administrator' van de Europese Unie in Mostar in Herzegovina een taak die Duitse kranten terecht “delicaat” noemen. Koschnick moet er immers de wederopbouw en het samenleven van moslims en Kroaten helpen organiseren. Dat wil zeggen: hij zal in de zwaar getroffen stad van de ingestorte Stari Most (Oude Brug) letterlijk en figuurlijk als een EU- bruggenbouwer moeten werken. Met goede raad en zeker ook met geld en andere materiële middelen, want dat hij niet met lege handen aan het werk wil liet hij vorige week in een televisie-interview duidelijk weten: “Anders heeft het geen zin”.

Zijn EU-taak is moeilijk genoeg. Maar, al zegt niemand in Bonn dat hardop, dat is niet alles. Koschnick moet er en passant méér doen. Namelijk: het niet zo stralende blazoen van de Duitse Joegoslavië-politiek een beter aanzien geven. Ook daaraan zullen Kohl en Kinkel hebben gedacht toen zij twee weken geleden in de EU voorstelden om een Duitser leiding te laten geven aan het opbouwwerk en het opzetten van een nieuw gemeentelijk apparaat.

De Bondsrepubliek is in Europa koploper op humanitair gebied. Zij biedt de meeste materiële hulp en herbergt nu 375.000 vluchtelingen uit het vroegere Joegoslavië: 180.000 asielzoekers, 180.000 met een meer of minder langdurige verblijfsvergunning en 15.000 “dramatische gevallen”, zoals slachtoffers van verkrachting of foltering of mensen die thuis in levensgevaar zouden raken.

Overigens moet Duitsland, waarvan de bevolking zeer betroffen is door het geweld in Bosnië-Herzegovina, politiek behoedzaam opereren. Dat is niet alleen zo omdat de geschiedenis daartoe verplicht en omdat SPD en FDP de grondwet van de Bondsrepubliek zó uitleggen dat een rechtstreekse inzet van de Bundeswehr voor VN-vredesmissies niet tot de mogelijkheden behoort.

Nee, het destijds net verenigde Duitsland heeft zijn aarzelende EG-partners najaar 1991 behoorlijk geïrriteerd door, aan de hand van FDP-minister Hans-Dietrich Genscher, alvast voor de Europese stoet uit te lopen met de erkenning van Slovenië en Kroatië. Daarna trok Genschers opvolger Kinkel in 1992 aandacht door met een inmiddels van hem bekende ronde tong te zeggen dat de Serviërs desnoods “naar de onderhandelingstafel gebombardeerd” zouden moeten worden - om vervolgens pijnlijk te zwijgen bij vragen of Duitsland dan wellicht zelf ook zou (kunnen) bijdragen aan uitvoering van dat advies. Kortom: waar Bonn met Parijs graag als “motor” van de Europese integratie fungeert, zit het in het geval van ex-Joegoslavië in een moeilijk parket en móet dus veel van de missie-Koschnick verwachten.

Koschnick is in Bremen geboren als zoon van een marxistische bankwerker en vakbondsman, die wegens zijn anti-nazihouding herhaaldelijk in Gestapo-cellen zat. Zelf maakte Hans Koschnick, die als zestienjarige militair in 1945 nog een paar maanden in Britse gevangenschap doorbracht, een exemplarische SPD-carrière. Via de lokale jeugdafdeling van de traditioneel 'linkse' ÖTV, de grote vakbond van overheidspersoneel, werd hij lid van de SPD en voor die partij (in 1955) lid van de “Bürgerschaft”, het Bremense stedelijke parlement. In 1963 werd hij senator (minister) van binnenlandse zaken in deze stad-staat, in 1967 regerend burgemeester. Drie jaar later werd hij lid van het landelijke SPD-bestuur, waarvan hij van 1975 tot 1979 naast Herbert Wehner en onder Willy Brandt, vice-voorzitter was.

In Bremen en in Bonn was Koschnick zowel een man met uitgesproken meningen als iemand die bekwaam compromissen wist te maken. Hij kritiseerde bijvoorbeeld openlijk het zogeheten Radikalenerlass, dat de CDUSPD-coalitie in 1978 uitvaardigde om ambtenaren met ongewenste politieke opvattingen te weren. Als burgemeester van de armlastige stadstaat Bremen stelde hij (in 1983) ondanks zware kritiek van vakbeweging en SPD voor om de capaciteit van lokale scheepswerven drastisch te beperken. Vervolgens kreeg hij in de lokale verkiezingen opnieuw een absolute meerderheid. Omgaan als bestuurder met een notoir krappe kas deed hij in Bremen 18 jaar, een plus dat hij meeneemt naar Mostar.

Koschnick, die onder meer Franse en Israëlische onderscheidingen draagt en voorzitter van een Pools-Duits Auschwitz-curatorium is, bedankte in 1985 voor het burgemeesterschap en ging zich, vanaf 1987 in de Bondsdag, concentreren op buitenlands beleid en - vooral - de Derde Wereld. Hij had al aangekondigd dat hij in oktober niet als Bondsdaglid herkozen wilde worden. Tegen het weekblad Die Zeit zei hij daarover: “Niet om te zwijgen, ik wil verder geëngageerd blijven, zij het zonder officieel mandaat”. Dat kan dadelijk, in Mostar, mét een EU-mandaat zelfs. En met de beste wensen van Kohl en Kinkel.

    • J.M. Bik