'Bedrijven moeten deeltijd-wao'ers in dienst houden'

DEN HAAG, 7 APRIL. Nederland is op weg naar één miljoen arbeidsongeschikten; dat aantal zal in de volgende kabinetsperiode worden bereikt. Het wordt tijd een maatregel door te voeren die bedrijven verplicht gehandicapten en gedeeltelijk arbeidsongeschikten in dienst te houden.

Dat zei voormalig staatssecretaris van sociale zaken, E. ter Veld, gisteren op een symposium in Den Haag.

Premier Lubbers heeft in 1990 gedreigd met opstappen als het aantal WAO'ers en AAW'ers de één miljoen zou overschrijden; Ter Veld adviseerde gisteren de nieuwe CDA-leider Brinkman (of welke mogelijk toekomstige minister-president ook) zo'n dreigement maar niet te herhalen. Het totale aantal WAO'ers en AAW'ers stabiliseert zich de laatste maanden overigens op ongeveer 921.000.

Het wordt tijd, zei de oud-staatssecretaris, een maatregel door te voeren die tot nu toe taboe is gebleken: een wettelijke verplichting voor werkgevers om bijvoorbeeld 5 procent van het personeel uit gehandicapten of gedeeltelijk arbeidsongeschikten te laten bestaan. Dat is tot nu toe alleen als een nobel streven in de wet vastgelegd, met als peildatum 31 december 1995. “Mij is het niet gelukt die verplichting in het kabinet erdoor te krijgen”, zei de in 1993 afgetreden Ter Veld. “Maar deze stok achter de deur is waarschijnlijk noodzakelijk. Ik hoop dat een toekomstige staatssecretaris deze quotering uit de kast haalt.” Zij herinnerde eraan dat ook de rijksoverheid als werkgever zich lang niet houdt aan het streven van 5 procent, zoals uit een rapport van de Algemene Rekenkamer is gebleken. De minister van binnenlandse zaken heeft inmiddels zijn twijfel uitgesproken of deze taakstelling wel effectief is.

Ter Velds opvolger, staatssecretaris Wallage, kondigde vorige week aan dat hij de komende zomer nieuwe afspraken wil maken met werkgevers over het in dienst nemen van arbeidsongeschikten. De werkgevers mogen volgend jaar wat het kabinet betreft op lastenverlichting van enkele miljarden guldens rekenen, mits ze bereid zijn tot afspraken die de werkgelegenheid ten goede komen; wat Wallage betreft horen daar afspraken over de reïntegratie van arbeidsongeschikten bij.

Het weer aan het werk krijgen van deze groep is veel meer dan alleen het belang van de WAO'ers zelfs, zo werd gisteren beklemtoond op het symposium van Audalet, een bedrijf dat zes jaar geleden door verzekeraars en de ANWB is opgericht om een standaard te ontwikkelen voor de berekening van personenschade. De reïntegratie van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten is in het belang van werkgevers en werknemers - zij betalen tenslotte de premies waaruit de uitkeringen worden gefinancierd - maar ook van particulier verzekeraars. En, niet op de laatste plaats, van degene die de arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt - een automobilist bijvoorbeeld die schuldig is aan een ongeluk waardoor een werknemer in de WAO is gekomen.

“Het slachtoffer heeft in beginsel recht op volledige vergoeding van materiële en immateriële schade”, is het uitgangspunt van mr. J.M. Beer, een Amsterdamse advocaat die gespecialiseerd is in rechtsbijstand aan slachtoffers van letselschade. Naarmate wettelijke uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid lager worden, is de materiële schade van de WAO'er groter. Tenzij hij, ondanks zijn handicap, toch weer aan het werk is gekomen.

Het ligt dus voor de hand dat de kosten van reïntegratie - omscholing, bepaalde hulpmiddelen bijvoorbeeld - op de veroorzaker van de arbeidsongeschiktheid worden verhaald. Die eerder genoemde automobilist dus, of bijvoorbeeld een werkgever die slordig was met de veiligheidsvoorschriften. Maar mag hij van de arbeidsongeschikte ook verlangen dat hij pogingen doet weer aan het werk te komen en zo de schade te beperken? Ja, zei Beer, “het slachtoffer van letselschade is verplicht om de schade te beperken voorzover hem dit mogelijk is en redelijkerwijze van hem kan worden verlangd”.

Maar wat nu als het slachtoffer weigert te reïntegreren of daarbij niet de meest effectieve weg kiest? Uit door Beer opgediepte jurisprudentie blijkt dat de rechter in het algemeen “redelijke persoonlijke keuzes” van het slachtoffer respecteert, ten koste van degene op wie de schade kan worden verhaald. 'Redelijk' is daarbij een ruim begrip. Zo vond de Hoge Raad het onredelijk om van een architect, slachtoffer van een ongeval, die zich beriep op zijn artistieke en esthetische aanleg, te verlangen dat hij voor een ander beroep zou kiezen, zoals degene die de schade moest vergoeden had geëist. Van een 33-jarige havenarbeider die bij een verkeersongeluk beenletsel had opgelopen, accepteerde de Amsterdamse rechtbank dat hij door zijn “persoonlijkheidsstructuur” en door “zijn onvermogen zich bij een sollicitatiegesprek positief te presenteren” zich niet liet omscholen voor functies waarvan hij een afkeer had. Dat risico kwam voor rekening van degene die het verkeersongeluk en dus de (inkomens)schade had veroorzaakt.

De organen die de AAW en de WAO uitvoeren, zijn heel wat strenger dan de rechter en mogen zwaardere eisen stellen aan de arbeidsongeschikte. Dat is in toenemende mate ook een belang van particulier verzekeraars, zeker nu miljoenen werknemers zich, dikwijls via CAO-afspraken, privé hebben bijverzekerd tegen een eventueel lagere wettelijke uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. J.L.M. Misana, onderdirecteur bij Delta Lloyd Schadeverzekering, had er dan ook geen enkele moeite mee een door hem zelf opgeworpen vraag met “volmondig ja” te beantwoorden. Die vraag luidde: heeft de particuliere verzekeraar een rol bij het pogen ongevalslachtoffers te begeleiden naar herintreding op de arbeidsmarkt? “Herstel is altijd beter dan vergoeden, voor de betrokkene zelf en voor de beheersing van het stelsel van vergoedingen.”