Arme landen krijgen steeds slechtere gebitten

Vandaag is het volgens de WHO wereldgebitsdag. Voor Nederlanders hoeft dat niet zo, want wij hebben na de Denen het beste gebit. Maar in de ontwikkelingslanden worden de tanden steeds slechter.

Het jaar 1994 is het jaar van de mondgezondheid. Onder het motto 'Oral Health for an Healthy Life' worden door de Wereldgezondheidsorganisatie in de 187 aangesloten lidstaten diverse acties opgezet om het belang van een gezonde mond onder de aandacht te brengen. En vandaag, donderdag 7 april, is uitgeroepen tot Wereldgezondheidsdag.

In ons land ligt de nadruk van de activiteiten vooral op de basisscholen. Overal ter wereld werken de beroepsorganisaties van tandartsen enthousiast mee. Behalve in ons land waar de beroepsorganisatie Nederlandse Maatschappij voor Tandheelkunde, om onbegrijpelijke redenen, heeft geweigerd mee te doen. Amerika is echter zeer actief.

Zo wordt in een Amerikaanse folder geconstateerd dat er elk jaar toch nog altijd 30.000 Amerikanen mondkanker krijgen en dat 8600 patiënten ieder jaar aan deze ziekte sterven. Maar bij mannen uit India, Pakistan en de Filippijnen komt de ziekte twee en een half maal zoveel voor dan in de geïndustrialiseerde wereld. De verschillende manieren van tabaksgebruik zoals tabakspruimen of het roken met het brandende uiteinde van de sigaret of sigaar in de mond, worden als oorzaak genoemd. Verder verhoogt de combinatie alkohol en roken de kans op het krijgen van mondkanker.

Zuigflescariës

Een ander schokkend fenomeen wekt de bezorgdheid van de Amerikaanse tandartsen. Dat is de zogenaamde zuigflescariës. Een gebitsziekte die bij baby's voorkomt en waarbij de bovenste snijtanden en kiezen van het melkgebit door tandbederf ernstig zijn aangetast.

De aandoening komt in de VS voor bij 10-80% van de arme inheemse Amerikanen, de Spaanse en Zuidaziatische bevolkingsgroepen en voorts bij kinderen uit de arme wijken van de grote Amerikaanse steden.

Behandeling van deze kleintjes is vrijwel alleen mogelijk onder narcose. Deze kinderen slapen meestal met een zuigfles gevuld met appelsap, een vloeistof die door zowel de zure als zoete inhoud een ideaal substraat is voor de tandbederfverwekkende bacteriën of met een andere vloeistof, water aangelengd met een stof die baby-formula heet en die evenees zoet van smaak is.

Op wetenschappelijk congres in Seattle rapporteerde een Canadese onderzoekster dat kindertandartsen uit Vancouver jaarlijks 2400 kinderen met zuigflescariës in een vergevorderde staat, onder narcose, met de extractietang van hun pijnlijke tandjes en kiesjes verlossen.

Opvallend was dat het niet alleen ging om kinderen uit de laagst sociaal-economische klassen maar dat er ook kinderen in deze groep waren waarvan de ouders goed waren opgeleid, die allebei werkten en die beiden regelmatige tandartsenbezoekers waren. Merkwaardig is dat de ouders wel lijken te weten dat het gebruik van zuigfles 's nachts door kinderen slecht is maar dat zij de fles toch blijven geven.

Hoewel in ons land nog weinig onderzoek bekend is over de verspreiding van zuigflescariës bestaat de indruk dat steeds meer tandartsen kinderen onder narcose moeten helpen. Verder bestaat er een duidelijk verband met tandbederf van het melkgebit en bederf bij het blijvende gebit.

De Amerikaanse beroepsorganisatie van tandartsen wijst erop dat veel oudere Amerikanen geen tandheelkundige zorg krijgt en dat bijna de helft van de totale bevolking in de VS het laatste jaar de tandarts niet heeft bezocht.

In ons land is deze situatie gelukkig veel beter. In 1992 bezocht ruim 70% van de bevolking met nog in het bezit van de eigen tanden en kiezen de tandarts regelmatig.

Spectaculair

Onmiskenbaar is dat er de laatste twintig jaar in de meest geïndustrialiseerde landen een spectaculaire reductie van cariës heeft plaatsgevonden. Bezien wij de hoeveelheid tandbederf van de groep twaalfjarigen, een leeftijdsgroep waar veel WHO-databank gegevens over bekend zijn, en drukken wij die uit in de gemiddelde DMFT, een index die het aantal aangetaste, ontbrekende en gevulde tanden en kiezen aangeeft, dan blijkt het volgende.

Als wij eerst ons land als voorbeeld nemen dan was de gemiddelde DMFT in de jaren zeventig 8, terwijl dat getal omstreeks 1990 tussen de 1 en 2 lag. Na Denemarken wordt in ons land bij deze leeftijdsgroep het minste tandbederf gevonden.

De oorzaak van deze daling is gelegen in de bewuste aanpak van preventie. De voortdurende benadrukking van het belang van goede mondhygiëne, het wijdverspreide gebuik van de gefluorideerde tandpasta's, de introductie van de drinkwaterfluoridering in vele landen of van het gebruik van gefluorideerd zout, het toenemend gebruik van tandlakken en tenslotte de adviezen om minder snoep en suiker te nuttigen zijn de oorzaken van dit succesverhaal binnen de gezondheidszorg.

In Groot-Brittannië was dat getal in 1970 ongeveer 5.5 en in 1990 3.5. In Nieuw Zeeland was de DMFT in 1970 ongeveer 7 en in 1990 1.9. In Brazilië is het getal in die jaren ongeveer even hoog gebleven, dat wil zeggen meer dan 6.5, en, enigszins verrassend in Japan is het sterk gestegen tot ongeveer 5.5.

In de ontwikkelingslanden stijgt het DMFT eveneens in de loop van die jaren. Zo zien wij dat bij veel landen op het Afrikaanse continent, waar geen preventieprogramma's zijn opgezet, de DMFT in de eind jaren zestig zeer laag was, ongeveer tussen de 0.0-1.1 terwijl in de beginjaren negentig dat getal in sommige van die landen al ligt tussen de 2.7-4.4.

In de meeste van deze landen is vrijwel geen tandheelkundige hulp aanwezig. Als echter in zulke landen tandheelkundige preventieprogramma's worden opgezet ziet men de tandbederftoename weer stil staan. Dit is het geval in Thailand, Frans-Polynesië en in Oost-Europa, in Bulgarije.

Tandvleesbloeding

Ook over de andere meest belangrijke gebitsziekte, de tandvlees- en kaakbotafwijkingen (of parodontale gebitsaandoeningen) is door middel van zeer veel onderzoek de laatste dertig jaar steeds meer bekend geworden. Op basis van vier klinische gebitsverschijnselen, tandvleesbloeding, de aanwezigheid van tandsteen, van ondiepe en diepe pockets (een ruimte tussen kaakbot en gebitselement, al dan niet gevuld met pathogene micro-organismen) is in de beginjaren tachtig door de WHO een index samengesteld die aanwijzingen geeft over de ernst van deze gebitsziekte.

In tegenstelling tot dat wat men vroeger dacht blijkt er tussen de niet- en de wel-geïndustrialiseerde landen weinig verschil te bestaan in de ernstige vormen van de ziekte. De gegevens tonen verder aan dat de aantallen personen met diepe pockets laag tot zeer laag kan worden genoemd. Er blijkt duidelijk sprake te zijn van risico-groepen. De vroege vormen van de aandoening, bloedend tandvlees en de aanwezigheid van tandsteen, komen daarentegen overal veel voor.