Apart op een meisjesschool, anders zitten ze maar thuis

Streng-islamitische migrantenmeisjes zijn voor het reguliere onderwijs een ongrijpbare groep. Kleinschalige verzuimprojecten kunnen uitkomst bieden, maar de beleidsmakers zijn niet geïnteresseerd.

Je hoort ze niet en je ziet ze niet. Meisjes uit traditionele migrantengezinnen zorgen, anders dan sommige van hun broertjes, voor weinig opschudding. Wie heeft er tenslotte last van de veertienjarige Salima die thuis blijft om haar moeder te helpen en zich op het huwelijk voor te bereiden?

In Den Haag zijn zeker tien projecten voor jongens die niet naar school gaan en de buurt onveilig maken. 'Voorportaal', het enige verzuimproject voor islamitische meisjes, is onlangs door de gemeente opgeheven. In een rapportage van de Leidse Wetenschapswinkel over het tweeënhalfjarig bestaan van Voorportaal concludeert Nynke Zwierstra: “De Voorportaalmeisjes zijn geen potentiële criminelen die op het rechte pad moeten worden gebracht. Het zijn meisjes die wanneer ze niet naar school gaan thuis zitten en niemand tot last zijn. Omdat de doelgroep van Voorportaal politiek niet interessant is, heeft het weinig steun ontvangen van beleidsmakers.”

Eind 1992 veroorzaakte de toenmalige staatssecretaris van onderwijs Wallage voor een golf van opwinding door aparte klassen toe te staan voor streng islamitische meisjes. Cijfers van zijn ministerie hadden uitgewezen dat ongeveer tweeduizend leerplichtige Marokkaanse en Turkse meisjes kwijt waren in de statistieken en waarschijnlijk thuis zaten. Beter apart onderwijs dan geen onderwijs, luidde het motto van de staatssecretaris.

“Stigmatiserend en onacceptabel”, reageerde het Nederlands Centrum voor Buitenlanders op het plan. Noch in Turkije, noch in Marokko worden scholen of klassen ingedeeld naar sekse. Ook door de onderwijswereld werd afwijzend op Wallages voorstellen gereageerd. Sindsdien is het stil geworden rond de meisjesklassen, maar betekent dat ook dat de problemen zijn opgelost?

Hoofddoek

Op vrijdagmidag heerst er een gezellige sfeer in het achterste lokaal van het lage schoolgebouwtje in Amsterdam-West. Een twaalftal meisjes tussen de veertien en zeventien is bezig met het bedrukken van T-shirts. Op de achtergrond speelt Turkse muziek. Alle leerlingen zijn traditioneel gekleed en op één na hebben ze een hoofddoek om. Ze maken deel uit van het project voor niet-schoolgaande migrantenmeisjes in Amsterdam-West, een gezamenlijk initiatief van het meisjescentrum Nina en de daghulp van het Psychologisch Pedagogisch Instituut (PPI). Het is officieel geen school, maar de meisjes die er elke dag tussen negen en twee uur komen voldoen hiermee wel aan hun leerplicht.

Opzet is dat de meisjes een toekomstperspektief ontwikkelen en doorstromen naar opleiding of werk. In de praktijk gebeurt het nogal eens dat ze op 16 à 17-jarige leeftijd trouwen en meteen kinderen krijgen.

Soms is de eenvoudigste vorm van onderwijs nog te hoog gegrepen omdat ze pas op latere leeftijd naar Nederland zijn gekomen. Zoals de vijftienjarige Ayla, die voordat ze naar het PPI kwam drie middagen per week naar het meisjescentrum Nina ging. Daarvoor was ze twee jaar thuis. Met tien jaar kwam ze uit Turkije naar Nederland, de overstap van basisschool naar voortgezet onderwijs heeft ze nooit gemaakt. “Ik moest thuis veel regelen”, zegt ze. “Mijn moeder is ziek en er zijn nog kleine kinderen.”

Haar vader is overleden. De liefste wens van Ayla is om werk achter de kassa te krijgen. Ze straalt bij het idee. Hoewel ze Nina leuker vond en gezelliger, komt ze nu toch elke dag naar de meisjesklas op het PPI. Ze krijgt er Nederlands, rekenen, computerles, textiel, koken, sociale redzaamheid en ook zwem- en fietsles. Maar wat nog belangrijker is: voor het eerst is Ayla gaan nadenken over een opleiding en een beroep.

Gedempt Turks

Aan de andere tafel zitten zes meisjes die volgens hun luidruchtige woordvoerster Derya (16 jaar, getrouwd) “de geheime club EKD” vormen. Wat deze afkorting betekent vertellen ze uiteraard niet. Ze hebben elkaar andere namen gegeven. Er wordt vrolijk bij gelachen en in gedempt Turks - ze mogen eigenlijk alleen Nederlands spreken - wisselen ze snel wat geheimzinnigheden uit. Hülya (16), traditioneel maar elegant gekleed, wil graag de verpleging in. Daarom loopt ze nu één dag per week als voedingsassistente stage in het Andreas Ziekenhuis. Volgend jaar wil ze naar een opleiding in het KMBO. Ze komt nu zeven maanden op het PPI. “Na de basisschool ben ik niet meer naar school geweest”, vertelt ze. “Ik had geen zin en mijn ouders zeiden er niets van.”

De leerplichtambtenaar heeft er voor gezorgd dat Hülya hier terecht kon. Ook de twee zusjes Beyza (15) en Mehtap (16) waren al enige tijd thuis voor ze op het PPIkwamen. Zoals meer meisjes uit de groep verbleven ze tijdens de basisschool afwisselend in Nederland en Turkije.

Gemakkelijk cliché

De streng-islamitische vader die zijn dochter vanaf het moment dat ze gaat menstrueren verbiedt om nog één stap in de gevaarlijke buitenwereld te zetten, is in de verhalen opvallend afwezig. Dat wil niet zeggen dat hij niet bestaat, maar iedereen die met deze groep van migrantenmeisjes werkt benadrukt dat het een te gemakkelijk cliché is.

“Ik houd het op de Staphorst-variant”, zegt Raymond in het Veld, hoofd van het PPI. “De ouders komen veelal van het platteland, hebben zelf nauwelijks schoolervaring en houden er zeer traditionele opvattingen op na. Ik neig meer naar een culturele verklaring dan naar een religieuze.”

Intussen wordt op het PPI ruimschoots tegemoet gekomen aan de wensen van de islamitische ouders. Zwemmen gebeurt tijdens het vrouwenuurtje. In de pauze mogen de meisjes het hek niet uit: de angst voor illegale mannen die bij scholen rondhangen op zoek naar een legale bruid zit er na een aantal geruchtmakende ontvoeringen bij de ouders flink in.

Nina is 'een van de vindplaatsen' van leerplichtige meisjes die niet naar school gaan. Af en toe duiken ze op bij de taal-en naailessen die het centrum organiseert. Ook horen de begeleidsters van Nina over zusjes, nichtjes of meisjes uit de buurt die van school thuisblijven.

“De contacten hangen met hele dunne draadjes aan elkaar”, zegt Michèle Hering die als medewerker van de welzijnsorganisatie Impuls rechtstreeks met Nina te maken heeft. “Soms zie je een meisje op de markt lopen die volgens haar vader in Turkije verblijft. Het is per definitie een onzichtbare groep. Dat levert ons nog wel eens het verwijt op dat we iets zouden zoeken dat er niet is. Maar je kunt niet ontkennen dat ze er zijn. We hebben voortdurend een klas met vijftien tot achttien meiden vol. En als ze niet hier hadden gezeten, waren ze thuis geweest, daar ben ik van overtuigd.”

De kleinschalige aanpak die voorwaarde is om deze groep op het spoor te komen heeft het Voorportaal in Den Haag juist de das omgedaan. Het aantal van 35 meisjes dat daar in een periode van tweeënhalf jaar heeft deelgenomen aan activiteiten maakte geen enkele indruk op de beleidsmakers. Ook op het PPI neemt de druk toe om het werk voor niet-schoolgaande migrantenmeisjes minder prioriteit te geven. “Er lopen immers zoveel jongens rond in de wijk die dreigen te ontsporen. We hebben er geen enkel belang bij om de problemen rond deze meisjes groter te maken dan ze zijn”, zegt Raymond in het Veld. “Als die meiden weg zijn, zit ik z= vol met jongens. Die meisjes verdwijnen in het niets en het probleem is de wereld uit.”

Over het aantal leerplichtige allochtone meisjes dat niet naar school gaat wordt druk gespeculeerd, sinds het ministerie de tweeduizend zoekgeraakte meisjes in de publiciteit bracht. Probleem is dat de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs slecht geadministreerd wordt en pas sinds kort in de cohortonderzoeken van het CBS wordt meegenomen. De onderwijsbestanden van veel gemeentes zijn bovendien vervuild. Leerlingen die bij een wisseling van scholen in administratieve zin kwijt raken worden als dropout aangemerkt.

Indianenverhalen

In het in 1992 verschenen rapport 'Ceders in de tuin' van de Commissie Allochtone Leerlingen in het Onderwijs wordt een zorgelijk beeld geschetst: “Vanaf de leeftijd 13-16 jaar daalt de deelname aan onderwijs van Turkse en Marokkaanse meisjes drastisch.” Onderzoekers van het Instituut voor Toegepaste Sociale wetenschappen (ITS) in Nijmegen hebben daarentegen de indruk dat over thuiszittende migrantenmeisjes veel 'indianenverhalen' in omloop zijn. Op dit moment doet het ITS onderzoek naar spoorloos geraakte leerlingen. Voorlopige conclusie van dit onderzoek is dat er tussen basisschool en voortgezet onderwijs nauwelijks islamitische meisjes kwijtraken doordat ze thuisgehouden worden of naar het thuisland worden gestuurd.

Blijft de vraag of de islamitische meisjes de leerplicht ontduiken en voortijdig van schoolgaan om redenen van religie. Cultureel antropologe Jannet van der Hoek meent dat de islam er ten onrechte wordt bijgesleept als het om schoolverzuim van deze meisjes gaat.

“Soms willen meisjes zelf niet”, weet Van der Hoek uit de gesprekken die ze voor haar boek Marokkaanse Tienermeisjes voerde. “Ze worden op school gepest omdat ze slecht Nederlands spreken of traditioneel gekleed gaan. Ze raken gedemotiveerd omdat ze leerproblemen hebben en steeds maar falen. Vaak zijn er thuis veel problemen met ziekte en werkloosheid. Het is kortom een vergaarbak van redenen die niet allemaal onder die ene noemer van de islam mogen worden gebracht.”

Van der Hoek is dan ook bepaald geen voorstander van exclusieve opvang voor traditioneel islamitische meisjes à la Voorportaal of Nina. “Dit soort gezellige klasjes maakt het voor ouders aanvaardbaar aan de leerplicht te ontsnappen. Bovendien zijn ze meteen van die akelige boetes af.”

Hebben projecten als Voorportaal daarom hun bestaansrecht verloren? Nee, vindt Riet van der Staay, een Rotterdamse leerplichtconsulent die zich inmiddels meer dan tien jaar bezighoudt met schoolverzuim. Op de bestaande projecten voor tussentijdse schoolverlaters komen volgens haar leerlingen, en dan vooral jongens, met gedragsproblemen.

Riet van der Staay: “Daar horen deze meisjes niet thuis, dus vind ik dat er minimaal een Voorportaal moet zijn. Het is ongelooflijk dom en kortzichtig omdaar geen geld in te willen steken. Ik ben er van overtuigd dat de meisjes kinderen zullen krijgen en, als wij ze laten vallen, hun kinderen zullen opvoeden naar hun eigen voorbeeld. School is bedreigend, school is narigheid, pijn, verdriet. Smoezen om ze later thuis te houden.”

    • Michaja Langelaan