Turkse sanering is als 'aardbeving'

ANKARA, 6 APRIL. Werknemers, vakbondsvertegenwoordigers en de leiders van de oppositiepartijen in Turkije hebben negatief gereageerd op het pakket economische maatregelen dat premier Tansu Çiller gisteren afkondigde om het gigantische begrotingstekort te dichten. Zij voorspellen toenemende sociale onrust nu mevrouw Çiller zich ten doel heeft gesteld om in drie maanden tijd 1,2 miljard dollar te besparen.

Het gaat om prijsverhogingen van tussen de 40 en 100 procent op tal van produkten als thee, sigaretten, suiker, benzine en PTT-diensten, de invoering van aanvullende belastingen op luxe goederen, een geringere stijging van de ambtenarensalarissen, een versnelling van het privatiseringsprogramma en de sluiting voor het einde van dit jaar van de staatsondernemingen die zo verouderd zijn dat ze onverkoopbaar zijn. Turkse kranten melden dat 75.000 werknemers de kans lopen op straat te worden gezet.

Bovendien is de Centrale Bank afgestapt van het idee om in de morgen de wisselkoersen voor de buitenlandse valuta zelfstandig te bepalen. De Centrale Bank richt zich nu naar het gemiddelde van de tien grootste staats- en privebanken in Turkije. De Amerikaanse dollar werd daardoor gistermiddag plotseling door de Centrale Bank voor 32.053 Turkse lira's ter aankoop en voor 32.149 Turkse lira's ter verkoop aangeboden. Volgens de Turkse media voerde de overheid hiermee 'heimelijk' een devaluatie van een kleine 40 procent door.

In januari werd de Turkse lira al met 13,6 procent gedevalueerd ten opzichte van de dollar, nadat twee vooraanstaande Amerikaanse ratingfirma's, Moody's en Standaard en Poor's (S&P), de kredietwaardigheid van Turkije verlaagden. S&P liet daar eind vorige maand nog een nieuwe verlaging op volgen.

Het is dan ook al maandenlang onrustig op de Turkse financiële markten. De wisselkoersen van de buitenlandse valuta stegen geleidelijk, terwijl de aandelenkoersen bleven zakken. Voor het eerst sinds lange tijd stegen als gevolg van de beslissing van de Centrale Bank de aandelen dinsdag op de effectenbeurs in Istanbul weer met 7 procent. Premier Çiller klaagde gisteren op een persconferentie, die rechtstreeks door de staatstelevisie werd uitgezonden, dat de wisselkoersen sinds 1987 “kunstmatig laag zijn gehouden door de rentestanden op te voeren. Hierdoor steeg het begrotingstekort”.

De radicale economische maatregelen - die het principe van een vrije-markteconomie volgens haar niet aantasten - zijn noodzakelijk, zo beklemtoonde Çiller, omdat Turkije anders afglijdt naar “Latijnsamerikaanse toestanden”. Turkije kampt met een tekort op de lopende rekening van circa 6 miljard dollar, tegen 943 miljoen dollar in 1992. Het begrotingstekort groeide tot 17 procent van het bnp, terwijl de inflatie rond de 75 procent bedraagt. Çiller riep de Turkse bevolking op haar op dezelfde onvoorwaardelijke manier te steunen als men in de afgelopen maanden heeft gedaan in de strijd tegen het Koerdische separatisme.

Çiller heeft met de samering van de economie gewacht tot na de gemeenteraadsverkiezingen van eind vorige maand. Haar conservatieve Partij van het Juiste Pad (PJP) bleef eerste partij, waardoor de premier zich gesterkt voelde om de Turkse bevolking ertoe te dwingen om de broekriem flink aan te snoeren. Volgens haar zijn de eerste resultaten van dit versoberingsprogramma binnen zes maanden al te merken.

Naast de gigantische prijsverhogingen, die vanmorgen door de sociaaldemocratisch georiënteerde krant Cumhuriyet werden vergeleken met een “aardbeving”, wordt het geheel of gedeeltelijk sluiten van de staatsbedrijven die met hoge schulden, een personeelsoverschot, hoge produktiekosten en verouderde technologie kampen als één van de meest radicale elementen van het programma ervaren. Vooral het dichtgaan van de mijnen in Zonguldak en het staalcomplex in Karabük, beiden in de Zwarte Zeestreek, hebben al tot grote sociale onrust geleid. Voor zaterdag staan grootscheepse demonstraties op het programma, terwijl in enkele bedrijven in Istanbul gisteren ook al lucht werd gegeven aan de verbijstering over de economische maatregelen.

Het algemene idee is dat de lasten niet over alle geledingen van de samenleving worden verdeeld, zoals mevrouw Çiller zegt, maar dat opnieuw de mensen in loondienst de zwaartste klappen krijgen. De grootste vakbondsfederatie Türk-Is buigt zich vandaag over de vraag op welke manier men moet reageren.

Bovendien is het voor het eerst in de geschiedenis van de Turkse republiek dat de sociaal-democraten zich politiek medeverantwoordelijk stellen voor een zo ingrijpend versoberingsprogramma. De Sociaal-Democratische Volkspartij (SHP), die sinds eind l991 samen met de PJP een coalitieregering vormt, heeft zich tot nu toe fel verzet tegen de privatiseringsplannen van Çiller. De SHP is met slechts ruim 13 procent van de stemmen uiterst verzwakt uit de verkiezingsstrijd gekomen, maar besloot het afgelopen weekeinde om desondanks toch in de regering te blijven. De sociaaldemocratische politici hopen zo te bereiken dat ze de pijn voor de mensen met de laagste inkomens nog enigzins kunnen verlichten en dat er een sociaal plan wordt opgesteld voor de mensen die na de sluiting van de verouderde staatsbedrijven worden ontslagen.

Oppositieleider Mesut Yilmaz van de conservatief/liberale Moederlandpartij hekelde gisteren het economische beleid van Çiller scherp: “Het versoberingsprogramma is een slechte kopie van de maatregelen die op 24 januari 1980 in Turkije werden afgekondigd om de overgang van een staatsgeleide naar een vrije-markt-economie- mogelijk te maken.” In ondernemerskringen is de stemming aftastend, omdat bijvoorbeeld nog onduidelijk is wat de hoogte van de aanvullende belastingen zal zijn.

    • Froukje Santing