Tien, tien, tien

Het kereltje holde onder het slaken van de kreet “tien, tien, tien” het huis uit en het schoolplein op. Hij had een oud tennisballetje in de hand en een handvol vriendjes in zijn kielzog. “Ik ben Bakhuys”, riep hij en gaf het balletje een ferme trap, waardoor er een ruit van de school verbrijzeld werd en de conciërge met de troebele ogen van een functionaris die zeer kwaad is, op stramme benen kwam aangedraafd. Het was 11 maart 1934 en het Nederlands elftal had zojuist met 9-3 van de Belgen gewonnen. Het publiek had in het laatste kwartier met even schorre als enthousiaste stem om de tiende treffer gebedeld, die ook Han Hollander gaarne de ether in had geroepen, maar de Belgen vochten als gekken om die schande van met dubbele cijfers te verliezen zichzelf te besparen. Dat lukte en eigenlijk was dat ook wel goed, want aloude en gerespecteerde tegenstanders als de Belgen toch waren, die mag men royaal verslaan maar men moet hen zo min mogelijk op het hart trappen.

9-3 was dus al erg genoeg en eigenlijk waren die Belgen helemaal zo slecht niet. Het verschil lag zestig jaar geleden in de kwaliteit van de aanvalslinies. Nederland had voor het eerst een binnentrio, Leen Vente-Beb Bakhuys-Kick Smit op het veld staan. Geen van drieën had veel internationale routine: Bakhuys speelde pas zijn vierde interland, Vente zijn tweede en Smit debuteerde zelfs. Oranje kende trouwens een geheel vernieuwde linkerwing, want ook linksbuiten Kees Mijnders stond voor het eerst in de nationale ploeg. De enige aanvaller, die zich enigszins een routinier mocht noemen, was Frank Wels, de caféhouder uit Gorinchem, die die dag voor de elfde maal het shirt met de leeuw mocht aantrekken. Onze middenlinie mocht er ook zijn. Henk Pellikaan, bij mijn weten de enige van dit team die nog in leven is, stond rechtshalf, Wim Anderiesen was de half-aanvallende spil die zonder franje maar met inzet leiding gaf aan het Nederlandse binnenveld en Puck van Heel, de aanvoerder, was de fijne technicus. Hij was niet snel, hij kon moeilijk tegen bikkelharde charges en zijn ene knie was jarenlang kwetsbaar, maar hij bracht het tot 64 interlands, wat heel lang - tot de heer Ruud Krol langskwam - een record was. Indien er al van zwakte in dit elftal sprake was, dan lag die in de verdediging, waar Jan van Diepenbeek (met bril) en Sjef van Run weleens snelheid tekort kwamen.

De doelpunten kwamen op die kille dag in maart 1934 van Leen Vente (5), Bakhuys (2) en Smit (2). De goals van Vente, de rechtsbinnen van het Rotterdamse Neptunus die later naar Feyenoord is overgegaan, ontstonden alle uit fikse schoten. Dat riep niet alleen de uiterst populaire Han Hollander, die van overdrijven hield, het werd ook bevestigd door ir. Ad van Emmenes, die heel erg eerlijk was en voor wie feiten volstrekt heilig waren. De mooiste goal van de wedstrijd kwam overigens van niemands schoen maar van het voorhoofd van Bakhuys, die een halfhoge, eigenlijk iets te lage voorzet van Wels steenhard en vallend langs keeper Vandeweijer kopte. Vandaag nog roept af en toe een commentator (die in 1934 nog in het geheel niet geconcipieerd was) dat iemand scoorde à la Bakhuys. Nu komt dat - zo bedenk ik mij - ook doordat Bakhuys' grote daad van destijds zo niet overtroffen maar dan toch wel een enkele keer benaderd wordt. Wil je de soli van Cruijff uit de jaren zeventig ideaal geimiteerd zien, dan wordt het wachten tot vermoedelijk het einde der dagen.

Maar inderdaad balde die 9-3 triomf van '34 zich samen in die ene, formidabele treffer van Bakhuys. De man was een paar jaar uit het oog verdwenen doordat hij van Zwolle naar Soerabaja was verhuisd. Hij voetbalde op Java overigens intensief en speelde samen met Felix Smeets, een bekende HBS'er. In die Haagse club ging Bakhuys trouwens spelen, toen hij met het Zwolse ZAC promotie naar de eerste klasse had gerealiseerd. Intussen leidde die gigantische zege op de Rode Duivels een leuke periode van grote voetbalverwachtingen voor Oranje in. Die periode duurde tot 1937, toen Bakhuys de overstap naar het full professionalisme maakte en daarvoor naar het buitenland (Metz) moest verkassen. Het was vaak eb of vloed bij Oranje. Jammer alleen, dat het moment waarop men dacht zich op de top van een grote golf naar het WK in Italië te kunnen laten dragen, de Zwitsers ons een stok tussen de benen staken. Toen draafde het bovengenoemde kereltje niet meer onder de kreten tien-tien-tien het huis uit, maar zat hij met betraand oog aan de luidspreker.

    • Herman Kuiphof