Soul Asylum: rock voor Bill Clinton en gillende meisjes

Concert: Soul Asylum. Gehoord: 5/4 Vredenburg, Utrecht.

De oude bluesman Howlin' Wolf zong het al: “The men don't know, but the little girls understand”. Na tien jaar ploeteren in de marge van de alternatieve rockmuziek, ziet zanger David Pirner van de Amerikaanse groep Soul Asylum zich plotseling geconfronteerd met uitverkochte zalen vol gillende en meezingende tienermeisjes. De groep uit Minneapolis, die er steeds maar niet in slaagde om uit de schaduw van stadgenoten Husker Du en The Replacements te treden, onderging een drastische koerswijzing op het zesde en meest recente album Grave Dancers Union. De ruige punkrock uit de beginperiode maakte plaats voor radiovriendelijke gitaarpopsongs, die af en toe herinneren aan The Kinks en Tom Petty & the Heartbreakers.

Vorig jaar deed Soul Asylum een gouden greep met de videoclip van Runaway Train, die ter beschikking werd gesteld van een organisatie die zich inspant om weggelopen kinderen terug te vinden. MTV deed de rest. Terwijl er enkele 'runaways' boven water kwamen doordat in de clip om hun opsporing werd verzocht, vergaarde Soul Asylum wereldfaam. Net als Evan Dando van de verwante groep The Lemonheads, heeft David Pirner de innemende uitstraling van een enigszins onbeholpen tieneridool tegen wil en dank. Zijn fans vinden hem een schatje, op zijn afgetrapte gympies en in die ene spijkerbroek die bij de vorige tournee in het voorprogramma van Guns 'N Roses al onherstelbaar gescheurd was.

Op het podium kan Pirner een flinke keel opzetten, alsof Bob Dylan, Bruce Spingsteen en Neil Young vechten om een plaats bij de microfoon. Hij stuitert over het podium, wappert met zijn blonde dreadlocks en maakt er nog net zo'n rommeltje van als twee jaar geleden, toen Soul Asylum in beduidend kleinere zaaltjes voor een 'serieus' rockpubliek optrad. De nieuwe fans kennen alleen de laatste plaat, die in Vredenburg vrijwel integraal werd uitgevoerd, terwijl van de voorlaatste cd And The Horse That They Rode In On niets werd gespeeld. Een organist reproduceerde de partijen die op de plaat door Booker T. Jones (van Booker T. & The MG's) gespeeld werden en die het groepsgeluid meer gewicht gaven.

Het herboren Soul Asylum had er duidelijk zin in, ook al reageerden de gitaristen enigszins onwennig op de gillende meiden die het voor stagedivers onmogelijk maakten om dicht bij het podium te komen. Pirner kon desnoods midden in een couplet van gitaar wisselen, want zijn teksten werden woord voor woord door het toegestroomde meisjeskoor opgedreund. 'Get out of my head,' zongen ze hem na alsof er een diepe levenswijsheid in school.

Na een uur waarin zich een seksueel gechargeerd ritueel tussen band en publiek ontspon, werd het de langharige muzikanten van Soul Asylum al te braaf en voorspelbaar. Opeens stond daar weer het overmoedige garagebandje van weleer, dat nauwelijks ingestudeerde flarden van hits als Jessica van de Allman Brothers en The Guess Who's American Woman uit de mouw schudde. Net zo plotseling schakelde het vijftal weer terug op de gestroomlijnde countryrock van Runaway Train, Bill Clintons favoriete popsong sinds Soul Asylum een tuinfeestje van het Witte Huis mocht opluisteren. Van een groep die haar optreden dermate fris en boeiend weet te houden, kan nog veel moois worden verwacht.

    • Jan Vollaard