Partijen kiezen koortsachtig positie

De fractiewoordvoerders van PvdA en CDA hopen in het IRT-debat samen op te trekken. Maar het CDA zal een eventuele aanval van de PvdA op partijgenoot Hirsch Ballin beantwoorden met een aanval op PvdA-minister Van Thijn.

DEN HAAG, 6 APRIL. Het afbreken door de minister-president van zijn lang voorbereide bezoek aan Indonesië in verband met het debat morgen in de Kamer over de IRT-affaire, is tekenend voor de inmiddels hoog opgelopen crisisdreiging rond dit onderwerp. In Den Haag zijn alle betrokken partijen aan de vooravond van dat debat koortsachtig bezig zich een zo goed mogelijke uitgangspositie te verwerven.

De coalitie neemt stellingen in rond de betrokken ministers Hirsch Ballin (justitie) en Van Thijn (binnenlandse zaken). De laatste is de afgelopen week bijna continu in vergadering over dit ene thema. Van Thijn laat zich niet alleen adviseren door zijn secretaris-generaal Van Aartsen, de directeur generaal openbare orde en veiligheid Borghouts en de directeur politie Kapsenberg, ook vice-premier en PvdA-leider Kok en fractievoorzitter Wöltgens bemoeien zich met de verdediging. Het zicht op de bewegingen rond Hirsch Ballin is wat moeilijker te krijgen omdat hij zich nog immer met rugklachten in zijn Tilburgse woning bevindt. Maar CDA-fractiewoordvoerder Van der Heijden bevestigt dat hij regelmatig telefoneert met de minister en ook zijn eigen fractievoorzitter Brinkman regelmatig op de hoogte houdt van zijn vorderingen met zijn inbreng voor het debat van morgen.

De PvdA-woordvoerder Stoffelen en Van der Heijden hebben gistermiddag “goede afspraken” gemaakt over de lijn die zij in het debat willen aanhouden. Daarbij gaat het om een “welwillende” opstelling, waarbij niettemin kritische vragen zullen worden gesteld. Stoffelen benadrukt daarbij vooral de rol van Hirsch Ballin, die als minister van justitie direct verantwoordelijk is voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Van der Heijden legt meer accent op de twee-eenheid die de beide bewindslieden vormen als het gaat om het politiebeleid. “Daarvoor zijn beide functionarissen even verantwoordelijk,” aldus Van der Heijden. Of zoals een fractiegenoot het uitdrukt: “Samen uit, samen thuis”. Waarmee maar gezegd wil zijn dat een aanval op de CDA-minister Hirsch Ballin beantwoord zal worden met een aanval op Van Thijn.

Ondertussen is het afwachten of de beide regeringsfracties de opstelling van de woordvoerders, die in eerste instantie niet uit zijn op het aftreden van de ministers, delen. Morgenochtend zullen Van der Heijden en Stoffelen in hun respectievelijke fracties hun verhaal moeten verdedigen. Van der Heijden laat er geen twijfel over bestaan dat er in de CDA-fractie verdeeldheid is over de houding die moet worden ingenomen tegenover Hirsch Ballin. De naderende Kamerverkiezingen zouden leden van de fractie kunnen inspireren tot een daad van staatsrechtelijke helderheid.

Ook aan de zijde van de oppositie zijn de afgelopen week afspraken gemaakt om min of meer gelijk op te trekken. Een motie van afkeuring aan het adres van Hirsch Ballin ligt klaar, zo bezweren afgevaardigden van Dijkstal (VVD) en Kohnstamm (D66). Daarbij stelt Kohnstamm zich wat terughoudender op dan zijn collega van de VVD. Terwijl Dijkstal gisteravond herhaalde dat die motie sowieso zal worden ingediend, benadrukt Kohnstamm dat dit niet gebeurt wanneer de minister “een fantastisch verhaal” houdt.

Het was overigens ook Dijkstal die gisteren op eigen houtje de griffie van de Tweede Kamer verzocht om de premier mee te delen dat hij aanwezig moet zijn bij het debat. Zijn argument daarvoor was dat zonder aanwezigheid van de minister-president geen “politieke consequenties” getrokken zouden kunnen worden. Het feit dat Lubbers direct op dit informele verzoek is ingegaan, dat dus niet door Kamervoorzitter Deetman of door de voorzitter van de commissie voor justitie en politie Kohnstamm is ingediend, beduidt dat de premier met grote gretigheid het debat wil aangaan.

Niettemin is de afgelopen dagen een pact gesloten tussen VVD, D66,GroenLinks en de kleine christelijke partijen. Het dreigement van Dijkstal zal tot gevolg hebben dat de regeringspartijen eerder geneigd zullen zijn de “eigen” bewindslieden te sauveren. Toch zal een door alle overige partijen in de Kamer geschraagde motie van afkeuring, of van wantrouwen waarover GPV-voorman Schutte spreekt, Hirsch Ballin of zelfs beide ministers grote schade toebrengen. En daarmee hun partijen. Het is de vraag of de fracties dat met de verkiezingen voor de deur willen riskeren.

De CDA-fractie zal zich bijvoorbeeld dezer dagen afvragen hoe bruikbaar Hirsch Ballin nog is voor de eigen partij. In de lopende verkiezingscampagne is hij veel meer een blok aan het been, dan een van de sterren in het team van partijleider Brinkman. Hij kan immers nauwelijks nog zijn mond open doen over zijn meest geliefde onderwerp: de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Daarover zei hij bijvoorbeeld in november 1993 tegenover het Parool: “Nu is er een solide basis gelegd voor de bestrijding van de criminaliteit.” Uit het rapport van de commissie Wierenga, die de oorzaken onderzocht voor het opheffen van de superrechercheteam IRT, blijkt dat de basis op dat moment in werkelijkheid heel wat minder solide was.

Hirsch Ballin heeft daarbij op bijna alle hoofdpunten van zijn beleid de afgelopen jaren geen sterke indruk gemaakt. Zo is er de veel geroemdereorganisatie van de politie. Als iets duidelijk wordt uit het rapport Wierenga is het wel dat deze mammoet-operatie een van de oorzaken is voor de gezagscrisis tussen bestuurders en Hermandad.

Hirsch Ballin heeft stevige pogingen gedaan “zijn” OM strak aan de teugel te nemen, maar tevergeefs. Op dit moment is de commissie-Donner bezig met het opstellen van een schaderapportage. Als minister van Antilliaanse Zaken heeft Hirsch Ballin verder veel tijd en energie verstookt met verwoede pogingen om de overzeese gebiedsdelen terug te brengen in het gareel van behoorlijk bestuur. Die operatie lijkt zelfs geheel gestrand. Over “toekomstconferenties” wordt geen woord meer vernomen van zijn departement.

Daarbij heeft Hirsch Ballin een fors deel van de achterban van de partij vervreemd door 'zijn' euthanasieregeling en de Wet gelijke behandeling. De vraag zou binnen het CDA kunnen opkomen of de rol van partij-ideoloog die deze minister ook speelt, wel opweegt tegen zijn “zwakke managers-kwaliteiten”, zoals ze in eigen kring wel getypeerd worden.

Mocht het CDA toch blijven kiezen voor Hirsch Ballin, dan is de enige manier om hem te redden van een mogelijke mede door de PvdA gesteunde aanval het in gijzeling nemen van minister Van Thijn. Van der Heijden benadrukt niet voor niets de “twee-eenheid” van de beide ministers. En Van Thijn gaat, als voormalig burgemeester van Amsterdam, natuurlijk ook niet geheel vrijuit, al doet hij sterk voorkomen niets te maken te hebben met de omstreden opheffing van het rechercheteam. Op 1 juni 1993 werd een mede door Van Thijn ondertekend convenant van kracht tussen de departementen van Justitie en Binnenlandse Zaken en de vijf interregionale rechercheteams, waarbij werd vastgelegd dat het beheer in handen zou komen van één korpsbeheerder. Van Thijn had dus vanaf 1 juni een met handtekening onderschreven verantwoordelijkheid voor het IRT.

Uit het rapport-Wierenga blijkt dat hij echter alles heeft overgelaten aan de korpsleiding. Toen het begon te rommelen rond het team heeft hij alleen vragen gesteld, maar niet ingegrepen. Bovendien heeft hij ingestemd met de opheffing van het team en op 7 december 1993 een cruciaal persbericht mede-ondertekend, waarvan hij zelf de porté kennelijk niet goed kon begrijpen.

Het verschil tussen de positie van Van Thijn en Hirsch Ballin is behalve de veel sterkere formele verantwoordelijkheid van de laatste, wat het CDA ook zegt, dat Van Thijn in eigen gelederen minder omstreden is dan zijn ambtgenoot van justitie. Na het plotselinge overlijden van zijn voorganger, minister Dales, begin dit jaar werd hij als de redder van de partij voorgesteld. Die rol zal hem nu wat minder makkelijk afgaan, toch lijkt zijn positie steviger dan die van Hirsch Ballin.

Om toch te vermijden dat het kiezersvolk, samen met commissie-voorzitter Wierenga, de indruk krijgt dat “de hoge heren elkaar de hand boven het hoofd houden”, roept Stoffelen nu om de koppen van “minstens” vier functionarissen in Amsterdam: hoofdcommissaris Nordholt, diens rechterhand Van Riessen, hoofdofficier Vrakking en procureur generaal Van Randwijck. Minstens, want Stoffelen laat er geen twijfel over bestaan dat hij ook de Utrechtse hoofdcommissaris Wiarda, die de Amsterdamse politietop beschuldigd heeft van het toedekken van corruptie, wil zien bungelen aan de hoogste boom.