Openbaar bestuur liet korpschefs gang gaan

De opheffing van het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht (IRT) staat niet op zichzelf. Het is een symptoom van een gezagsvacuüm dat door de commissie Wierenga is blootgelegd.

DEN HAAG, 6 APRIL. De korpschef verwaardigt zich niet meer met de directeur-generaal ten departemente te spreken. Hij wil alleen nog de minister als gesprekspartner. Het is een illustratie van scheefgegroeide verhoudingen tussen politie en openbaar bestuur.

'Misdaad in vereniging' wordt de groeiende macht van de politie op de departementen van justitie en binnenlandse zaken wel genoemd. “Iedereen, de departementen, de politiek, het openbaar ministerie en de burgemeesters, heeft toegekeken hoe de Nordholts en de Hessings het gezag over de politie hebben overgenomen”, zegt een nauw betrokken ambtenaar.

In de verhoren van de commissie-Wierenga is het verschillende keren een 'gezagsvacuüm' genoemd, het gebrek aan beheer over de politie. “Ik vind dat je politie en justitie de ruimte moet geven om criminaliteit te bestrijden”, zei toenmalig burgemeester E. van Thijn tegen de commissie. En: “Ieder zijn vak.”

Ook procureur-generaal R. van Randwijck spitst zijn kritiek over de oorzaken van de opheffing van het IRT toe op de gezagsverhoudingen. “Wat er ook zij van de hele IRT-kwestie, de kern van de discussie is de zeggenschap over en de aansturing van de politie”, verklaarde de procureur-generaal tegenover de commissie.

De korpsbeheerders weten niet meer wat er in het korps allemaal omgaat, is een veel gehoorde kritiek op de Haagse departementen. “Ze hebben er geen verstand van en ze hebben er geen tijd voor”, zegt een ingewijde. De burgemeester heeft het gevoel dat veel politiezaken te technisch en te ingewikkeld zijn. Ik ga alleen over de openbare orde, zeggen ze. Daar worden ze op beoordeeld door de gemeenteraad. Daarnaast ondertekenen ze de brieven die de korpschef schrijven. Zo gaat dat in heel Nederland. In Amsterdam is het effect alleen sterker.”

“De Amsterdamse politie doet in beginsel wat God verboden heeft - wat Den Haag verboden heeft, zoals het opzetten van commerciële activiteiten tegen de uitdrukkelijke wens van Justitie in. Ministers hebben gewoon geen zin in moeilijkheden met Amsterdam. Dat is een heel ander soort moeilijkheden dan met de politieregio Utrecht of Hollands-Midden. Amsterdam maakt daar handig gebruik van”, zegt de ambtenaar die niet met name wil worden genoemd.

De reorganisatie van de Nederlandse politie, die in 1989 in gang werd gezet en die op 1 april officieel in werking trad, bracht het gevaar van een 'te grote 'verzelfstandiging', zo schreef de Raad van State twee jaar geleden in een advies over het nieuwe politiebestel. De ontwerper van de nieuwe Politiewet, de Leidse hoogleraar C. Fasseur, schreef vorige week in het Nederlands Juristenblad dat de burgemeesters/ korpsbeheerder van met name de grootste gemeenten “onvoldoende weerwerk tegen hun machtige, de publiciteit zoekende politiechefs” leveren.

De politiereorganisatie vormde een deel van het Haagse antwoord op de groei van de georganiseerde misdaad. De circa 40.000 politiemensen van 148 gemeentelijke korpsen en de rijkspolitie zijn herverdeeld over 25 regionale politiekorpsen. De regio's komen overeen met de arrondissementen. Het beheer over de korpsen kwam in handen van de burgemeester van de 'hoofdplaats' van de regio. Veel burgemeesters 'verloren' daardoor hun korps, anderen kregen er per saldo een aantal korpsen bij.

Fasseur noemde de publieke ruzie die eind januari uitbrak tussen de Utrechtse korpschef Wiarda en zijn Amsterdamse collega Nordholt naar aanleiding van de opheffing van het IRT een “blessing in disguise”. De affaire heeft “duidelijk gemaakt dat de burgemeesters/ korpsbeheerder zich actiever met het beheer van de politie moeten bemoeien”, aldus Fasseur. “Het wordt dan ook hoog tijd dat politiechefs die hun plaats niet kennen met de wet in de hand die plaats wordt gewezen.”

Hij verwees daarbij onder meer naar de Haagse korpschef J. Brand, voorzitter van de Raad van Hoofdcommissarissen. Die zei in januari van dit jaar in het Algemeen Politieblad dat de korpschefs “nooit” vanuit een “ondergeschikte positie met korpsbeheerders en hoofdofficieren” zouden samenwerken.

Volgens de wet moet de hoofdcommissaris de korpsbeheerder bijstaan en neemt hij deel aan het overleg tussen de beheerder en de hoofdofficier van justitie. Verder mag hij advies geven aan het bestuur van de politieregio: een college waarin alle burgemeesters uit de regio en de hoofdofficier zitting hebben. Veel macht heeft de korpsbeheerder op papier derhalve niet, concludeert Fasseur. “Als de politie dreigt te verzelfstandigen ligt dit in elk geval meer aan slappe burgemeestersknieën dan aan de wetgever”, schreef hij in het Juristenblad.

Het 'gezagsvacuüm' tussen het uitvoerende apparaat en de beheerder, zoals secretaris-generaal mr. R.J. Hoekstra van het ministerie van algemene zaken de leemte noemde, is volgens betrokkenen op de departementen sinds de stapsgewijze invoering van de Politiewet alleen maar vergroot. “Een burgemeester die over één gemeentelijk korps ging kon het nog overzien”, zegt een ambtenaar. “Maar nu gaat het over dertig gemeenten. De burgemeester heeft er ondertussen niet meer verstand van gekregen, dus de korpschef heeft als full-time professioneel manager alleen maar meer macht verworven. Die is door de huidige generatie korpschefs handig gebruikt. Het zijn mensen die meer nadenken en niet meer alleen boeven vangen. Burgemeesters, departementen en de politiek hebben toegestaan dat de hoofdcommissarissen zich steeds meer zijn gaan profileren en een eigen politieke lobby konden gaan voeren. Ze lopen het liefst direct door naar het torentje van Lubbers. Politici vinden het heerlijk om met die jongens te worden gezien.”

Ondertussen worstelt Den Haag sinds het bekend worden van de problemen over het opgeheven IRT steeds meer met de vraag hoe de operatie 'terug-in-je-hok' moet worden vormgegeven. Het gaat daarbij niet alleen om de vraag hoe 'Amsterdam' weer in het gareel kan worden gebracht. “Het is een zaak van de burgemeesters”, zegt een betrokkene op Binnenlandse Zaken. “Burgemeester Opstelten heeft in Utrecht laten zien hoe het hoort, toen hij zijn korpschef Wiarda tot de orde riep tijdens de ruzie met Nordholt in januari. Zo horen de verhoudingen te liggen.”

Inmiddels zeggen ambtenaren op het departement van justitie dat ze persoonlijk de macht van het Amsterdamse korps vrezen. De top van het ministerie beschuldigt de leiding van het korps ervan opzettelijk “zeer vertrouwelijke informatie” over de IRT-affaire te hebben gelekt naar onder meer het dagblad Het Parool “om het eigen blazoen” te zuiveren. De rijksrecherche heeft hiernaar inmiddels een onderzoek ingesteld.

Volgens sommige hoge ambtenaren, die anoniem willen blijven, bewijst “deze handelwijze” dat de Amsterdamse korpsleiding “een tegenstander is waarmee je niet meer een conflict kunt hebben binnen de collegiale verhoudingen. De mentaliteit is dat ze veel schade aanrichten als dat in hun kraam te pas komt. Al het andere kan ze kennelijk niks schelen. Binnenkort leggen ze nog een pakje coke bij ons in de brievenbus en komen ze het met de pers erbij eruit halen. Ze zijn tot veel in staat.”

    • Rob Schoof