Kool, geit en Barbertje

Premier Lubbers komt vervroegd terug uit Indonesië voor het kamerdebat over het IRT. Wat moeten we daaruit afleiden? Drie mogelijkheden. Dat radeloosheid binnen het Kabinet de rest van de ministers te machtig is geworden. Dat wordt ingezien hoe groot het vraagstuk is geworden: niet meer horend tot het gebied van twee ministers maar tot het kabinetsbeleid. Dat premier Lubbers komt helpen om voor zijn partij de zwaarste klappen op te vangen. Het kan van alle drie wat zijn.

In ieder geval mogen de Nederlandse kiezers zich gelukkig prijzen dat er, zo kort voor ze zich een nieuwe volksvertegenwoordiging en kabinet gaan aanschaffen, een grondig warenonderzoek wordt gearrangeerd. Althans, die kans is er. De intriges en verwarringen om het Interregionaal Rechercheteam kunnen misschien nog op rekening worden geschreven van een paar hoofdcommissarissen en ministers, maar om de vaststelling van deze directe verantwoordelijkheid gaat het allang niet meer. De kern van het vraagstuk is verschoven. Het gaat om de langzamerhand fameuze “geloofwaardigheid van de politiek”. Deze uitdrukking zal dan ook in het komende debat door verscheidene afgevaardigden worden gebruikt, met die merkwaardige intonatie - “Ik zeg het u heel eerlijk” - dat mengsel van zware waardigheid en gekerm dat bij zulke drama's past.

Omstreeks deze tijd is het tien jaar geleden dat het publiek geboeid en vooral verbluft naar de verhoren van de parlementaire enquête in de RSV-zaak keek. Dat was de eerste grote déconfiture, een schandaal, waarbij behalve individuen zoveel groepen, gerespecteerde instituten betrokken waren dat er van 'de' politiek werd gesproken. Mensen die over hun inkomen niet te klagen hadden, wisten dat onder verantwoordelijkheid van een minister nog te vergroten, terwijl een scheepsbouwconcern langzaam in de afgrond verdween. In materiële zin was de ondergang van RSV, begeleid door een groepje profiteurs, ernstiger dan het IRT-mysterie omdat er zoveel meer mensen het slachtoffer van zijn geworden. Naar verhouding ernstige politieke consequenties zijn er door degenen die toen de verantwoordelijkheid droegen niet uit getrokken.

Sindsdien is het met wat we tegenwoordig noemen de 'politieke klasse' niet goed gegaan. Na de RSV is de affaire van het fraudebestendig paspoort gekomen, een klucht waarin het Nederlands perfectionisme is geëindigd met de triomf van kool en geit terwijl Barbertje gehangen werd. Voorzover ik me nu kan herinneren is er op het gebied van schandalen daarna niets groots verricht.

Er komt het volgende bij. Voor de kiezers bestaat 'de' politiek niet uit een paar grote daden, verricht door grote persoonlijkheden. De bestuurders en de kamerleden worden beoordeeld, niet eens bewust, op hun gedrag dat zich uitstrekt over jaren. Als er hier of daar eens een fout wordt gemaakt, niet al te groot, wordt dat weldra vergeten omdat men andere dingen aan het hoofd heeft. Om de uitdrukking van Jaap Burger eens te variëren: het gaat er niet om dat men een fout maakt, maar of dit gebeurt in een systeem dat het wegpraten en onderschoffelen van reeksen fouten tot zijn voornaamste eigenschap heeft verheven. Dit systeem is in Nederland tot een hoge graad van ontwikkeling gebracht, en zoals de zeden het voorschrijven hebben we er een beter woord voor gevonden: consensuspolitiek.

Ook schandalen kunnen een goed einde vinden in een of andere vorm van consensus, waarbij men zich desnoods een mensenoffer moet getroosten maar daartegenover staat dat het systeem is gered. Dat is lang goed gegaan omdat de kiezer zich stabiel gedroeg. Er mocht hier of daar eens iets verschuiven maar de grote partijen konden op hem blijven rekenen. Het CDA, de PvdA en in mindere mate de VVD koesterden zich in de stille, Nederlandse versie van wat in andere landen de arrogantie van de macht wordt genoemd.

Het valt niet te voorspellen hoe behoudend de Nederlandse kiezer zal zijn als er voor de Kamer moet worden gestemd - behoudend links, midden of rechts. Maar zoals het er nu uitziet beleven we de nadagen van dit systeem dat gebouwd is op arrogantie. De politieke klasse voelt het maar weet zich er geen raad mee. 'Extreem rechts' heeft een pasje voorwaarts gedaan en daar wordt in eerste aanleg het 'doodzwijgen' als oplossing gevonden; de variant op het doodkijken zoals struisvogels dat doen. Het heeft niet geholpen. In de hele maatschappij dient zich definitief een overgangstijd aan, die overigens allang in tientallen tekenen zichtbaar was. Tegelijkertijd zijn de grote partijen aan een wisseling van generaties bezig en dan blijkt dat ze daarbij geen gelukkige hand in hun personeelskeuze hebben. Veel ernstiger dan het succesje van de Centrum-Democraten is de verwarring in de gevestigde politieke klasse die tot de opmars van de kleine boeman bijdraagt.

Onder deze omstandigheden is, een paar weken voor de verkiezingen als een deus ex machina het IRT verschenen. Als het Kamerdebat morgen gericht wordt op het vertrouwde resultaat van kool, geit en Barbertje dan zullen de kiezers, bewust of instinctief, dat bij de rest optellen. Anders gezegd: het mysterie van het IRT staat niet op zichzelf; het is de nieuwste wantoestand in een reeks. De kiezers zijn benieuwd hoe aan de reeks een einde wordt gemaakt.