Kalfsvlees

“Ik heb niks met die beesten”, zei Joost toen ik over koeien begon.

Maar hij was wel in dienst geweest, vaandrig bij de verbindingstroepen. Ze waren op oefening op de Grebbeberg. Na de gevechten reed een korporaal-chauffeur hem terug naar de Elias Beekmankazerne in Ede. Dus daar, in die buurt.

In het weiland stond een koe te loeien, of loeien, balken mag je wel zeggen. Ze had even tevoren een kalf ter wereld gebracht. Het hulpeloze dier was zo uit de baarmoeder in de sloot gegleden.

De korporaal reed de jeep van de weg af, de vaandrig nam zijn verantwoordelijkheid. Hij stapte in de sloot. Weldra stond hij met het kalf in zijn armen, zoals hij later eens met zijn eerste kind in zijn armen zou staan.

“Die sloot stonk”, zei Joost. “Die sloot stonk vreselijk. Maar dat kalf rook heerlijk.”

Ze zagen kans het dier op de kant te krijgen. Ze bogen zich eroverheen om enige nazorg te verlenen. En toen de koe: met een woedend lijf, met stampende poten en de kop omlaag, horens! Geen dank je wel, maar wegwezen jullie.

“In mijn hele leven”, zei Joost, “was dat mijn enige ervaring met koeien.”

“En hou het alsjeblieft onder ons”, zei hij, “want ik doe niet graag pathetisch, maar sinds die tijd eet ik geen kalfsvlees meer.”

    • Koos van Zomeren