IRT-kwestie ook een gevolg van onduidelijkheid over OM

Vroeger, toen het recht nog een rustig bezit was, hadden het openbaar ministerie en de politie een ondubbelzinnige en overzichtelijke taak. De politie ving boeven, die aan de officier van justitie werden voorgeleid. Deze bracht de zaken bijna altijd voor de rechter, want seponeren was hoge uitzondering.

Aan die situatie kwam in de tweede helft van de jaren zestig een einde. De vanzelfsprekendheid van het gezag begon te tanen. De softdrugs en niet lang daarna de harddrugs, en de internationalisering van de daaraan gerelateerde criminaliteit deden hun intrede. De explosieve groei van de criminaliteit waarop onze samenleving in het geheel niet was ingesteld, viel samen met een overheidsbeleid, dat was gericht op terugdringing van de vrijheidsstraf. Zo werden vele huizen van bewaring gesloten, de inleiding tot het huidige cellentekort.

Deze ontwikkelingen hadden een belangrijk gevolg. Het openbaar ministerie moest namelijk keuzes gaan maken. Het moest in zijn leidinggeven aan de opsporing aangeven welke zaken wèl en welke geen prioriteit verdienden. Het moest ook prioriteiten stellen bij het aanbrengen van zaken voor de rechter, dus beleidsmatig gaan seponeren. Ten slotte moest het OM beslissen, welke voorlopige hechtenissen en vrijheidstraffen wèl en welke niet tenuitvoer zouden worden gelegd. Eigenlijk is het een wonder, dat het OM zich deze bestuurlijke taken zo snel eigen wist te maken.

Zo ging het openbaar ministerie de grenzen aftasten van zijn uit nood geboren nieuwe bevoegdheden. Het begon bijvoorbeeld jaarverslagen te maken. Eén van de eerste verslagen (over 1974) bracht het OM in botsing met parlement en minister. In dat verslag poneerde het de stelling, dat de minister van justitie het beleid slechts marginaal zou mogen toetsen. Op een desbetreffende vraag van het lid van de Eerste Kamer, mr. C.H.F. Polak (zelf oud-minister van justitie) antwoordde de minister, dat het jaarverslag op dit punt door zijn algemene formulering geredelijk tot een onjuiste conclusie kon leiden. Het openbaar ministerie werd door de minister gevoelig op de vingers getikt. Maar de behoefte aan een zekere onafhankelijkheid bleef door de jaren heen onverminderd bestaan. De relatie tussen minister van justitie en openbaar ministerie werd niet voor niets het thema van de jaarvergadering 1991 van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.

Het was tekenend, dat op die vergadering geen eenstemmigheid bleek te bestaan over de vraag of de minister van jusititie nu wèl of niet het hoofd is van het openbaar ministerie. In een voortgezet overleg werden met de minister afspraken gemaakt over de onderlinge relatie, maar de daardoor ontstane situatie kwalificeer ik eerder als een 'wapenstilstand' dan als een 'vrede'. Het feit, dat er een commissie-Donner bestaat, die naar verwachting in mei zal rapporteren over de positie van het openbaar ministerie spreekt duidelijke taal.

Doordat de minister geen echt integraal gezag over het OM kan uitoefenen is het OM-beleid niet uitgegroeid tot een beleid dat door de politiek wordt gedragen. Het is ook niet verwonderlijk dat rechter en politie de vrije ruimte al te gemakkelijk hebben gebruikt om eigen beleid te voeren.

Gezien deze achtergrond is het onduidelijk wie uit het openbaar ministerie een interregionaal politie-team moet aansturen. Is dat één officier van justitie, of twee of drie, of is het de procureur-generaal? Of is het een officier onder diens supervisie? En wie is dan verantwoordelijk als er iets fout gaat? En als het de procureur-generaal is, waarom maakt die dan geen deel uit van het driehoeksoverleg, en heeft deze geen bemoeienis met de vervolging van de verdachten? En welke rol speelt de minister in de aansturing van het team? Zo zullen er nog wel meer vragen zijn. Het laat zich aldus eenvoudig verklaren, dat de politie-functionaris die is belast met de leiding van het team niet meer goed weet tot wie hij zich met welke zaken zal moeten wenden. Met het risico dat men eigen wegen inslaat.

Bij het opereren met interregionale teams worden twee zaken duidelijk. Ten eerste moet men rekenen met het risico, dat de politie ruime of te ruime mogelijkheden verkrijgt tot het voeren van een eigen beleid. De verouderde OM-structuur maakt het onvoldoende mogelijk om te voorzien in de flexibele aansturing van zo'n team. Ten tweede laat die structuur niet toe, dat de minister van justitie voldoende invloed op het beleid van het OM kan uitoefenen.

Los van wat er in de Tweede Kamer wordt besloten: de enige echte en relevante discussie zal eerst kunnen worden gehouden naar aanleiding van het rapport van de commissie-Donner. De commissie-Wierenga heeft een diagnose gesteld, een goede of een foute, maar alleen de commissie-Donner kan de therapie aandragen.

    • B.J. Asscher