Goed bedoelde film over probleemkind overtuigt niet

The Boy Who Cried Bitch. Regie: Juan José Campanella. Met: Harley Cross, Karen Young, Jesse Bradford, Dennis Boutsikaris. In: Amsterdam, Alfa; Eindhoven, Plaza Futura.

De titel van The Boy Who Cried Bitch schijnt in Amerika nogal schokkend te zijn, zeker wanneer duidelijk wordt dat de twaalfjarige hoofdpersoon het over zijn moeder heeft. Nu komt het tegenwoordig wel vaker voor dat pubers hun ouders akelige scheldwoorden naar het hoofd slingeren, maar Dan Love (Harley Cross) gaat hierin nog een paar stapjes verder.

The Boy Who Cried Bitch is in 1990 onafhankelijk van Hollywood geproduceerd en door de in New York wonende Argentijnse debutant Juan José Campanella geregisseerd. Allengs verklaart het scenario van producente Catherine May Levin dat we hier te maken hebben met een psychotische casus, de nauwgezet gedocumenteerde beschrijving van een Charles Manson of Norman Bates in statu nascendi. De alleenstaande moeder (Karen Young) kan het niet langer alleen aan en ziet zich gedwongen Dan op te laten nemen in een jeugdpsychiatrische inrichting. Ook daar weet men niet goed raad met de funeste invloed van de kleine dwingeland op zijn medepatiënten en moet men na verschillende, steeds ernstiger vormen aannemende incidenten, de behandeling staken.

Het geraffineerde van The Boy Who Cried Bitch is dat de psychologische vraagstelling zich langzamerhand ook nadrukkelijk richt op de onmacht van de moeder. Vraagt de kijker zich al vanaf de eerste scène af hoe het mogelijk is dat een ouder zich zo laat terroriseren door zijn kinderen (de beide jongere broertjes doen vrolijk mee met het machtsspel van 'de man in huis'), het antwoord tekent zich af dat de moeder misschien ook eens hulp zou moeten gaan zoeken. Als gevolg van een neerwaartse spiraal, die de gewelddadigheid van een door de gemakkelijke beschikbaarheid van vuurwapens en de sociale wenselijkheid van macho-gedrag vergiftigde samenleving niet buiten beschouwing laat, komen beide verwante geesten aan het slot tegenover elkaar te staan in een 'shoot-out' die volgens de traditie van de western minstens een slachtoffer moet achterlaten.

Op papier klinkt dit alles zeer overtuigend, als een probleemfilm die geen doekjes windt om de grimmige realiteit. Die indruk is maar ten dele juist. Waarschijnlijk door de krampachtige wens realisme na te streven, doet The Boy Who Cried Bitch een beetje houterig aan, als een goed bedoelde poging om drama te halen uit een consciëntieus gereconstrueerd, doorgaans weinig belicht segment van de moderne werkelijkheid.

Had die opzet aanleiding gegeven tot een, wellicht onmogelijke poging om een documentaire te maken over een twaalfjarige, gewelddadige psychoticus en zijn moeder, dan zouden we onze ogen uitgekeken hebben. Als speelfilm leidt de volstrekt respectabele onderneming toch te vaak tot een onverwacht soort braafheid en ongeloofwaardige artificialiteit. The Boy Who Cried Bitch past in een Amerikaanse traditie van psychiatrische probleemfilms als David and Lisa of The Rose Garden, die ondanks hun nuttigheid en jarenlange voortbestaan in de sfeer van de voorlichting over de geestelijke gezondheidszorg toch uiteindelijk ten onder gaan aan een onvermogen de pijn echt voelbaar te maken. Het beste wat er over gezegd kan worden, en dat zal dan ook nog veel gebeuren naar aanleiding van The Boy Who Cried Bitch, is dat er zo goed en geloofwaardig in geacteerd wordt. Inderdaad, dat er gespeeld wordt blijft steeds zichtbaar, en bij zo'n onderwerp zou je dat liefst niet meer merken.

    • Hans Beerekamp