Ethiek van het rechercheteam is abacadabra

De IRT-kwestie heeft ernstig verstoorde verhoudingen binnen politie en justitie aan het licht gebracht. F. Kuitenbrouwer schetst het 'ouwewijvencircuit' op basis van uitlatingen van de betrokkenen in het rapport van de Commissie-Wierenga.

Niet iedereen zal de viering van het 175-jarig bestaan van de Koninklijke Marechaussee in 1989 nog helder voor de geest staan. Toch werd bij die gelegenheid een memorabele uitspraak gedaan door een feestredenaar, de toenmalige burgemeester van Amsterdam drs. E. van Thijn. Hij betoogde “dat er alle aanleiding zou zijn een parlementaire enquête in te stellen naar de gang van zaken rond de tergend trage totstandkoming van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit”. Dit vermeldde de inmiddels tot minister van binnenlandse zaken benoemde burgemeester zelf tijdens de hoorzittingen van de commissie-Wierenga over het ontploffen van het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht.

Het is een opmerking waaraan hij nog wel eens zou kunnen worden herinnerd in het debat dat de Tweede Kamer deze week wijdt aan de IRT-affaire - deze “kleine ramp”, zoals Van Thijn het tijdens de verhoren zelf karakteriseerde. Zijn eigen verhouding tot het IRT wekt intussen niet direct een indruk van grote betrokkenheid. Met nadruk - “het is bijna een stokpaardje” - stelt hij “dat ik (...) mij op afstand bemoei met de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. (...) Justitie heeft het voortouw. Ieder zijn vak”.

Dit soort passages in de 623 bladzijden verslag van de hoorzittingen illustreert dat het rapport-Wierenga verplichte kost is voor iedere korpsbeheerder, zoals de Groningse burgemeester Ouwerkerk opmerkt in de jongste aflevering van het blad Binnenlands Bestuur. Laat dat korpsbeheerder er maar af. De politie is immers van ons allemaal. Het verslag van de hoorzittingen bevat ontnuchterende glimpjes van de onderlinge verhoudingen. Zo vertelt de Amsterdamse recherche-chef Welten hoe hij na afloop van een bewogen IRT-receptie op de korpssociëteit uit de auto zijn zuster belt en haar vertelt over de spanningen die er daar waren. De volgende dag belt de toenmalige IRT-chef Lith hem op om te melden dat “één van zijn palen” de conversatie met zijn zuster had opgevangen. En de burger maar denken dat de politie alleen de autotelefoon van zware criminelen afluistert.

Deze vorm van onderlinge omgang is meer dan een “grappig incident”, zoals Welten het noemt, afgaande op de Utrechtse hoofdcommissaris mr. J. Wiarda. “Bij mijn weten heeft iedere politieman die op het punt van integriteit fout zit, een opschrijfboekje waarin hij stoutigheden van collega's, chefs en autoriteiten binnen en buiten zijn organisatie heeft bijgehouden. Zo weet men dingen van elkaar en is het mogelijk om carrière te maken binnen de organisatie”. Deze observatie geeft een geheel eigen kleur aan het “excusez le mot: ouwewijvencircuit” dat volgens de voormalige voorzitter van het Centraal Politieberaad IJzerman kenmerkend is voor de politie. “Bij de Nederlandse politie wordt geleuterd als nergens anders”, vindt ook top-ambtenaar mr. J. Demmink van het departement van justitie. “Je hoeft maar op een politiereceptie rond te lopen om te weten wat ik bedoel”. Dit blijft overigens niet beperkt tot de Hermandad. Oud-IRT-officier van justitie mr. W.F.L. Franken van Bloemendaal noteert fijntjes dat het vorige hoofd van het Amsterdamse parket Van Steenderen “zelf de eerste was die het leuk vond hier en daar de naam Bruinsma [een belangrijk IRT-doelwit] te laten vallen, waarmee je dan dus niks opschiet”.

Dergelijke signaleringen maken het begrijpelijk dat het IRT is opgezet als een beveiligd “bunkerteam”. Toch is ook dat niet zonder problemen. “Een grote afscherming heeft het voordeel dat je informatie kunt binnenhouden, maar het geweldige nadeel dat je geen informatie krijgt”, waarschuwt de Amsterdamse hoofdcommissaris Nordholt. Hij krijgt bijval uit onverdachte hoek, de portefeuillehouder georganiseerde criminaliteit in het college van procureurs-generaal, mr. R.A. Gonsalves: “Een recherche-organisatie moet een band met het gehele apparaat hebben. Zij moet gevoed worden.” De trip-wire voor de teamvorming ligt naar het zich laat aanzien vaak trouwens heel wat lager bij de grond. De Amsterdamse hoofdinspecteur Van Beek over zijn ervaringen: “gezamenlijke opsporing strandt meestal in rechtspositionele problemen; bijvoorbeeld: 'hij krijgt wel overwerkvergoeding, ik niet'. Deze problemen ontstonden met name als het minder druk was”.

Voor de parlementaire enquête van Van Thijn is natuurlijk meer nodig. In de verslagen reikt de secretaris-generaal van het departement van Algemene zaken mr. R.J. Hoekstra een substantieel thema aan: het 'gezagsvacuüm' dat met betrekking tot de politie is gebleken. Dat is ook de analyse van Nordholt zelf: “Het hele probleem heeft te maken gehad enerzijds met een gezagsvacuüm binnen het openbaar ministerie en anderzijds met een gezagscrisis, en die beide dingen zijn in elkaar overgelopen.” Hoe zou dat komen? Enkele bij het IRT betrokken burgemeesters hebben daar wel een theorie over. Burgemeester Kraaijeveld-Wouters van Hilversum vertelde hoe zij en haar collega's Schmidt (Haarlem) en mevrouw Vos-Gortel (Utrecht) sterk de indruk hadden “dat de heer Van Thijn de heer Nordholt op dit terrein de vrije hand had gegeven. Het betreft dan vooral dat een korpschef naar de minister stapt met een geheel andere opzet voor de bestrijding van de criminaliteit, ons alleen achterlatend”.

Het openbaar ministerie, dat als wettelijke taak heeft toezicht te houden op de opsporing, heeft echter ook gaten laten vallen. In het algemeen signaleert hoofdcommissaris IJzerman bij de zogeheten zaaksofficieren van justitie een gebrek aan kritische afstand: “lekker mee recherchechefje spelen”. Het hoofd van het Amsterdamse parket mr. J.M. Vrakking echoot: “Het was toch wel gek geregeld: aan wie legt die IRT-officier eigenlijk verantwoording af, dat hele circuit daarvoor, hoe zit dat nou, het is toch wel diffuus?”

Over dat hele circuit daarvoor - de omstreden werkmethode van het IRT - geven de verhoren weinig uitsluitsel. Dat kon ook moeilijk anders vanwege de operationele details. Wat er tussen neus en lippen door glipt stemt niet gerust. Burgemeester Van Thijn over de ethische grenzen van het speciale team dat hij mee hielp beheren: “Voor mij is het allemaal abacadabra. Ik ben niet kleinzielig. Ik vind dat je politie en justitie de ruimte moet geven om criminaliteit te bestrijden.”. Het hoofd van de Centrale Recherche-informatiedienst (CRI) J. Wilzing doet bezwaren af met de schampere opmerking “dat we nu niet moesten werken met dat oorspronkelijk calvinistisch opgevoede manneke dat wat heroïne moet gaan kopen. (...) Als we echt de organisaties op hoog niveau plat willen krijgen, moeten we op een heel andere lijn gaan zitten. (...) Dan moet er maar tien kilo coke door, bij wijze van spreken”.

En wat levert dat op? De politiekundige prof. dr. C. Fijnaut signaleert “een enorm dilemma: Je hebt een vis groot gemaakt om een nog grotere vis te kunnen vangen. Die grote vis zwemt inmiddels mee in de vijver en kan prima overleven. Het is namelijk niet uitgesloten dat hij voortdurend andere vissen aan de politie uitlevert. Dan is de politie tevreden gesteld maar intussen werkt de vis ook goed voor zichzelf, want hij maakt de spoeling minder dun”.

    • F. Kuitenbrouwer