Een klein land met kleine zorgen

Ook in Luxemburg - waar iets meer dan 1 promille van de totale bevolking van de Europese Unie woont - is het Europese Witboek over economische groei, concurrentiekracht en werkgelegenheid dankbaar ontvangen. Net als de overheden in de andere EU-lidstaten heeft de Luxemburgse regering het rapport van voorzitter Delors van de Europese Commissie aangegrepen om een aantal minder plezierige maatregelen te nemen. Zo betalen de Luxemburgers sinds kort een extra heffing op hun brandstof, waarvan de opbrengst regelrecht in het werkloosheidsfonds vloeit. Op die manier is het mogelijk om net als bijvoorbeeld in buurland België de indirecte arbeidskosten voor ondernemers te verlagen, waardoor het aantrekkelijker wordt werknemers in dienst te nemen.

Met dergelijke maatregelen toont de Luxemburgse regering aan dat zij niet zo maar flierefluitend achterover leunend de verwezenlijking van de economische en monetaire unie (EMU) wil afwachten, hoewel het groothertogdom als geen ander EU-land voldoet aan de voorwaarden voor toetreding.

Luxemburg is een klein land met navenant kleine zorgen. De economische groei is het afgelopen jaar fors teruggevallen, tot 0,3 procent, maar van een recessie is geen sprake geweest, zoals in de meeste andere landen in de EU. Overigens becijferen de Luxemburgers zelf hun economische groei over 1993 op 1,9 procent: ze geven veel meer gewicht aan de inkomsten uit 'export' van de omvangrijke bancaire sector dan de Europese statistici.

Ook op het punt van de werkloosheid steekt Luxemburg gunstig af. Vorig jaar telde het groothertogdom 3.500 werklozen, weliswaar duizend meer dan vijf jaar geleden, maar nog altijd niet meer dan 2,2 procent van de beroepsbevolking. Dit jaar zal de werkloosheid stijgen tot naar schatting 2,6 procent, ongeveer eenvijfde van het gemiddelde EU-niveau. Uit de werkgelegenheidscijfers blijkt het specifieke karakter van de Luxemburgse economie. Ongeveer de helft van de ruim 200.000 banen in het groothertogdom wordt ingenomen door 'buitenlanders'. Dagelijks pendelen bijna 50.000 Duitse, Franse en Belgische grensarbeiders tussen hun woonplaats en Luxemburg, een verdubbeling in vijf jaar tijd.

Die groei weerspiegelt de opkomst van de dienstensector in Luxemburg, en niet alleen op financieel terrein. De regering heeft er alles aan gedaan om na de recessie van eind jaren zeventig en begin jaren tachtig drastisch om te schakelen van een land met een mono-industrie (staal) naar een veelzijdige economie. Blikvangers zijn natuurlijk de vele banken die, profiterend van het bankgeheim, van Luxemburg een groot financieel dienstencentrum hebben gemaakt, maar ook de chemische industrie, het (congres)toerisme en de mediasector. Medio jaren zeventig telde het staalconcern Arbed nog 27.000 arbeidsplaatsen, nu zijn er daar nog maar zo'n 8.000 van over. De totale industriële sector in Luxemburg omvat ongeveer 34.000 arbeidsplaatsen, terwijl de sector van de commerciële dienstverlening is gegroeid naar 110.000 banen.

Die transformatie van de Luxemburgse economie is een succes gebleken. De recente rapportcijfers van de verschillende internationale instellingen bevestigen nog eens dat Luxemburg in economisch opzicht veel beter presteert dan zijn Europese partners. Maar dat weerhoudt de Luxemburgers er niet van alert te blijven op negatieve ontwikkelingen. “Zorgwekkend” is volgens de autoriteiten het verminderende concurrentievermogen van het bedrijfsleven, veroorzaakt door het oplopen van de inflatie en het dreigende uit de hand lopen van de arbeidskosten. De loonkosten in de industrie stegen vorig jaar 4,6 procent. Dat is weliswaar minder dan in Duitsland, maar meer dan bij de Franse en Belgische concurrenten, aldus het jongste conjunctuurverslag van het Luxemburgs bureau voor de economische statistiek, Statec.

Statec roept dan ook op tot “nauwe samenwerking met de ondernemingen en hun organisaties” teneinde de concurrentiepositie van Luxemburg te herstellen. Om de inflatie niet verder aan te wakkeren, heeft de regering al beslist dat de recente heffing op brandstof niet mag worden meegerekend bij het bepalen van de hoogte van de prijscompensatie voor de werknemers.

Vorig jaar schommelde de Luxemburgse inflatie ongeveer 0,3 procent boven het EU-gemiddelde en ongeveer 0,8 procent boven het inflatiegemiddelde bij de vier belangrijkste concurrenten: Duitsland, Frankrijk, België en Nederland. Op het punt van de inflatie kan Luxemburg het misschien nog moeilijk krijgen om aan de criteria voor de toekomstige EMU te voldoen. Maar er is verbetering in zicht, constateert Statec. In januari bedroeg de inflatie 3,3 procent, een daling van 0,4 procent ten opzichte van december.

    • Wim Brummelman