De bewijslast

Er doemt op het ogenblik een nieuwe scheidslijn op in de bevolking: tussen gelovers en niet-gelovers. Ditmaal gaat het niet om God maar om seksueel misbruik. Soms wint het ene kamp terrein, zoals na verschijning van het proefschrift van Nel Draijer waarin zij zorgvuldig onderzocht hoe vaak seksueel misbruik voorkomt en hoe ingrijpend de gevolgen hiervan kunnen zijn. Maar affaires als Oude Pekela en De Bolderkar deden de zaak geen goed, en het andere kamp spon hier direct garen bij en trachtte 'de incest-lobby' weg te honen.

Vanwaar die enorme belangstelling op dit moment voor alles wat met incest of seksueel misbruik te maken heeft? Het is geen nieuw ontdekt kwaad, want er zijn meer momenten in de geschiedenis geweest waarop men ervan wist en het beschreef, zoals rond de eeuwwisseling.

Incest is pas een 'public issue' geworden toen het begin jaren tachtig opgepakt werd door de vrouwenbeweging. Het is een mooi voorbeeld van iets dat bekend was onder een andere noemer - ontuchtige of onzedelijke handelingen -, maar pas voorwerp werd van publieke belangstelling en verontwaardiging toen het door spraakmakende woordvoerders tot politiek thema werd verklaard. Het werd geherdefinieerd van teken van sociale minderwaardigheid of individuele pathologie tot kwaad van mannen tegen vrouwen of symptoom van de ongelijke machtsverhouding tussen de seksen. Hoewel de definitie niet deugt - het gaat immers meer om de machtsverhouding tussen ouders en kinderen, en ook jongens zijn slachtoffer en moeders dader -, toch was het een noemer die werkte. Een noemer waarmee de vrouwenbeweging de publieke en politieke verontwaardiging wist te wekken, meer dan dit de beweging tegen kindermishandeling ooit gelukt is.

Sindsdien is de opvang van slachtoffers van de grond gekomen, zijn psychiaters en psychotherapeuten veel meer op incest gespitst geraakt en is een zwerm onderzoekers op het onderwerp neergestreken. Op de meest verdorven kanten van het leven promoveren tegenwoordig keurige vrouwen, in keurige kleren, op rustige en ingetogen wijze. Maar hoe beschaafd en overzichtelijk dit ook klinkt, achter deze coulissen is het onrustig op het incestfront, het gonst, het broeit, het sist. Woordvoerders van het 'ongelovige' kamp maken de anderen uit voor goedgelovig, zinsbegoocheld, waandenkend , of netter verpakt: onwetenschappelijk. De verdenkingen zijn niet meer gericht tegen de patiënten en het mogelijke fantasiekarakter van hun verhalen, nu gaat het vooral om de professionals die zich er mee bezighouden. Werden dezen eerst vooral gehekeld om hun beschavingsblindheid die maakte dat zij niets zagen en niets hoorden, nu is de beschuldiging dat ze dingen vermoeden die zich nooit hebben voorgedaan en patiënten valse herinneringen aanpraten. 'Hoe therapeuten trauma's construeren' is de titel van een onlangs verschenen artikel in Intermediair van twee psychologen die de vloer aanvegen met dergelijke incestbeluste therapeuten*. En ze hebben gelijk: het gevaar bestaat. Er zijn voorbeelden van therapeuten die in de golf van het seksueel misbruik nu te veel zien en te veel vermoeden. Zoals de schilder Melle overal penissen zag, zo zullen er therapeuten zijn die ze overal op de achtergrond in hun onheilbrengende werking zien oprijzen.

Maar de aanval overtuigt me niet. Krasse staaltjes wijzen op gevaren maar zijn geen overtuigende argumenten voor de verdenking dat de ontdekking van incest vooral op fantasie berust. De discussie gaat over de betrouwbaarheid van kennis, om de vraag wat ware, echte, betrouwbare wetenschappelijke kennis is. En dat is op dit gebied moeilijk, omdat niemand precies weet hoe het geheugen werkt na vroegere traumatische ervaringen. Als je alleen in experimentele studies verkregen bevindingen betrouwbaar vindt, dan mis je veel aan kennis en inzichten die zich niet zo makkelijk laten vertalen in toetsbare uitspraken. Bovendien valt er met incest niet te experimenteren - net zomin als met andere traumatische ervaringen. Een oude richtingenstrijd wordt hier opnieuw uitgevochten waarbij experimenteel psychologen vinden dat psychotherapeuten met hun diepte-inzichten maar eens een toontje lager moeten zingen. Maar de streng getoetste voorbeelden waarmee zij komen aandragen zijn te dun en te beperkt om erg hoog van de toren te blazen.

* Anita Jansen en Harald Merckelbach, Intermediair 18/3/94; zie ook H. Merckelbach en I. Wessel, Recovered memories, De Psycholoog maart 1994 en het interview met Elizabeth Loftus in deze krant, bijlage Wetenschap & Onderwijs 31 maart.

    • Christien Brinkgreve