'Amsterdam deed arrogante greep naar de macht'; Oprichter over IRT-debâcle

De Amsterdamse politiecommissaris Kees Sietsma stond aan de wieg van het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht. Hij nam zelf niet meer deel aan het IRT omdat hij vertrok naar het bedrijfsleven.

AMSTERDAM, 6 APRIL. Zes jaar is hij nu weg bij de politie en dit gevoel heeft hij nog niet eerder ervaren: Sietsma heeft spijt. “Voor de eerste keer heb ik het gevoel dat ik de politie in de steek heb gelaten. Ik word emotioneel van deze IRT-affaire. Ik heb het gevoel dat met mijn inzet de politiesamenwerking beter uit de verf zou zijn gekomen. Met mij waren er ongetwijfeld ook wel eens ruzies ontstaan maar dan was in ieder geval voorkomen dat tachtig rechercheurs tot in het diepst van hun ziel gekrenkt en gefrustreerd raakten door dit onverhoeds ontbinden van hun team. Dat hun vakmanschap ernstig is aangetast”, zegt Sietsma.

“Het is triest, diep triest”, zucht Sietsma. Vorige week las hij tot half vijf 's nachts in één ruk de twee delen van het rapport van de commissie-Wierenga. Sietsma wist via indringende colleges over de georganiseerde criminaliteit eind jaren tachtig politiechefs, burgemeesters, politici en bewindslieden te overtuigen van de noodzaak van bovenregionale politiesamenwerking in de strijd tegen de harde misdaad. Hij verruilde in 1988 een 22-jarige politieloopbaan voor een carrière in het bedrijfsleven. Sietsma, die veelvuldig in het rapport wordt genoemd maar zelf niet is gehoord, geeft sinds twee jaar als directeur van het bedrijf Control Risks Benelux BV adviezen over veiligheidsbeleid en crisis-management. Vanuit die ervaring maar vooral als oud-rechercheur die furore maakte in grote drugszaken en het speurwerk leidde naar de ontvoering van F. Heineken, Valerie Albada Jelgersma en G.J. Heijn, durft hij moeiteloos de stelling aan dat er met de IRT-zaak zo'n beetje alles is mis gegaan dat maar fout kon gaan.

Sietsma is het om te beginnen niet eens met al degenen die de laatste dagen roepen dat het rapport-Wierenga niet deugt. De commissie zou volgens de critici al te gemakkelijk hebben aangenomen dat de werkmethode van het IRT-team - het in een criminele organisatie laten infiltreren van een informant - niet de echte reden is geweest voor de Amsterdamse burgemeester Van Thijn, hoofdofficier van justitie Vrakking en hoofdcommissaris Nordholt om de politie-eenheid te ontbinden. “Niemand weet wat die methode is geweest en het probleem was nu juist dat toen het team op springen stond de beoordelaars van die werkwijze kennelijk ook zelf niet wisten waar ze het over hadden toen ze besloten dat het zo niet langer kon. Men deed ook geen uitputtende moeite te achterhalen wat er echt was gebeurd. Wierenga spreekt terecht van een papegaaien-circuit. Het lijkt wel of het de autoriteiten niet om de inhoud ging maar om het spel, om de macht”, zegt Sietsma.

Illustratief is in zijn ogen in dit verband de constatering die de officier van justitie Van Capelle deed die toezicht op het werk van het IRT hield maar door zijn baas, Vrakking, niet werd geraadpleegd toen de hoofdofficier het idee kreeg dat het IRT onrechtmatig opereerde. Van Capelle vertelde de commissie hoe hij begin november vorig jaar vanuit het raam op het parket een zwarte Mercedes zag komen aanrijden. “Twee geüniformeerde heren met allemaal sterrenbalken, lauwertakken en eikeloof op de petten kwamen eruit en stoven het gebouw in. Zij kwamen er weer uit met tussen zich in de heer Vrakking. Hij werd in de auto gestopt en zoef daar ging het gezelschap. Ik wist echt niet waar het over ging. Het ging echt van floep floep. Ik kon ook geen raam open doen en vragen: 'Jongens waar gaan jullie naar toe? Mag ik ook mee?' Naderhand bleek dat dus de expeditie naar de procureur-generaal te zijn geweest”, aldus Van Capelle.

Sietsma is van mening dat de onderzoekscommissie “in het algemeen goed werk heeft verricht. In hun analyse slaan ze regelmatig de spijker op hun kop”. Het grootste obstakel voor de politiesamenwerking vormde volgens Sietsma zijn oude werkgever: de Amsterdamse politie. “Amsterdam heeft een arrogante greep naar de macht gedaan. Het heeft er veel aan gedaan om het IRT op te slokken binnen het eigen korps.”

Vóór de reorganisatie van de politie had je de facto drie korpsen in Nederland: de gemeentepolitie, de rijkspolitie en de Amsterdamse politie. Nu heb je er nog steeds twee: de regionale en de Amsterdamse, meent Sietsma. “Het Amsterdamse korps isoleert zich teveel. Inhoudelijk werken ze moeizaam samen met anderen. Ze spelen geen beduidende rol bij kennisoverdracht op de politieacademie of de rechercheschool. Aan discussies over de mogelijkheden van infiltratie doet Amsterdam niet mee: ze hebben de eigen pseudo-koopteams gewoon ontbonden. Het lijkt de leiding van de Amsterdamse politie aan deemoedigheid te ontbreken. Het zou ten opzichte van hun collega's wel plezierig zijn als ze toegaven dat ze mogelijk helemaal niet zo bijzonder zijn.”

“Hoofdcommissaris Nordholt heeft natuurlijk een geweldige gave zichzelf en zijn korps te presenteren. Maar het zou de Amsterdamse politie sieren om af en toe toe te geven dat ze ook fouten maken in die presentatie naar buiten. De laatste tijd zijn regelmatig veronderstellingen en conclusies ten onrechte als feiten gepresenteerd. Terwijl de Amsterdamse politie er toch feitelijk naast zat en niet de bewijzen op tafel kon leggen over beweringen dat de georganiseerde criminaliteit doelbewust in politieke partijen was geïnfiltreerd, dat de Antilliaanse overheid gevangenen naar Nederland stuurde en dat er 10.000 illegale Ghanezen in de Bijlmer wonen. Pas na het doen van die mededelingen probeert de Amsterdamse politie aannames alsnog in feiten om te zetten.”

Sietsma heeft in het rapport-Wierenga bevestiging gevonden voor zijn idee dat steeds meer politiechefs de neiging hebben zich niet langer neer te leggen bij de ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag. “Het feit dat ze voorbijgaan aan gezagsrelaties bewijst dat ze meer met machtsstructuren bezig zijn in plaats van met de inhoud van het politiewerk”, zegt Sietsma. Hij zei het gisteren nog tegen zijn vrouw. Toen hij in 1988 bij de Amsterdamse politie wegging waar zich grote organisatorische veranderingen voltrokken, sprak Sietsma nog van een 'krokodillenvijver'. “Je voelde dat iedereen iets van je recherche-divisie wilde afpakken ten behoeve van de basispolitiezorg. Nu lijkt de Amsterdamse politie een hanenhok.”

Sietsma heeft er een hard hoofd in dat de huidige hoofdrolspelers in het politie-apparaat van het ressort Amsterdam alsnog ferm de handen ineen slaan om de criminaliteit te beteugelen. “De leidinggevenden dulden elkaar nu maar of daar ooit nog innige samenwerking onstaat, betwijfel ik. Tenzij er op de werkvloer van de politiekorpsen iets gebeurt. Want op het gewone uitvoerende niveau is die competentiestrijd er niet. Rechercheurs van diverse pluimage willen gewoon boeven vangen maar zodra het gaat om macht en zeggenschap loopt het mis.”

Die opmerking strookt met de bevinding van de commissie-Wierenga die concludeerde dat er binnen het IRT goed werd samengewerkt. Het enige dat Sietsma tactisch niet zo slim vindt van het IRT, is dat het mogelijk te ambitieus van start is gegaan. Men wilde een van 's lands grootste bendeleiders vangen: Klaas Bruinsma. “Terwijl die wist dat justitie achter hem aan zat. Het IRT had beter eerst een paar kleinere criminele netwerken kunnen oprollen dan hadden ze zelfvertrouwen gekregen en ook meer respect van collega's geoogst.”

Uit de IRT-ellende kan volgens Sietsma maar één conclusie worden getrokken. De samenwerking tegen de georganiseerde misdaad moet zo snel mogelijk worden gebundeld in een NRT: het Nationaal Rechercheteam. Belangrijk is dan dat er maar een paar autoriteiten zeggenschap krijgen over het team en dat er ook korte rapportagelijnen zijn naar de minister van justitie zodat hij in de Tweede Kamer ook daadwerkelijk kan worden aangesproken op de resultaten. De 25 regiokorpsen moeten volgens Sietsma te overtuigen zijn dat het prettig is dat één landelijk team de verantwoordelijkheid krijgt de georganiseerde criminaliteit aan te pakken. “Ze kunnen dan juist blij zijn dat ze de aanpak van een belangrijk probleem kunnen uitbesteden via het leveren van materiaal en mensen.”

    • Marcel Haenen