Afrekenen met kabinetten Lubbers

Over een maand wordt het derde kabinet-Lubbers demissionair. Hoogstwaarschijnlijk zien we de premier niet terug als lid van de volgende regeringsploeg. Daarom kan de rekening van het onder zijn leiding gevoerde financieel-economisch beleid worden opgemaakt. Alle benodigde gegevens zijn te vinden in de bijlagen van het enkele dagen geleden verschenen Centraal Economisch Plan 1994. Toen het eerste kabinet-Lubbers eind 1982 aantrad, wilde het bovenal drie doelen halen: een kleinere overheid, meer banen en winstherstel.

Destijds waren de collectieve uitgaven gelijk aan 62 procent van het bruto binnenlands produkt (bbp). Tegen het eind van de jaren tachtig - na een periode van tot dan ongekende ombuigingen - waren daar vier procentpunten vanaf geknabbeld: in 1989 besloegen de uitgaven van de overheid en de sociale verzekeringen circa 58 procent van het bbp. De uitgavenquote had nog lager kunnen liggen, maar destijds royaal stromende belastingopbrengsten zijn voor een deel gebruikt om grote uitgavenoverschrijdingen af te dekken. De afgelopen vier jaar is het peil van de collectieve uitgaven min of meer gestabiliseerd. Minister Kok was strenger dan zijn voorganger Ruding, maar de uitbundige economische ontwikkeling was inmiddels in haar tegendeel verkeerd. Hierdoor kostte het extra veel moeite de uitgavenquote omlaag te drukken.

De verlaging van het collectieve-uitgavenpeil ging de afgelopen elf jaar vooral ten koste van het overheidspersoneel en mensen die op een uitkering zijn aangewezen. De salarissen van de ambtenaren zijn vele jaren bevroren. Dit heeft de positie van de overheid op de arbeidsmarkt verzwakt. Bovendien is eenzijdig gekort op premieafdrachten aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Om de resulterende gaten in het ABP-vermogen te stoppen, gaan de verschuldigde premies de komende jaren extra omhoog.

Met uitkeringen en subsidies is inmiddels - ondanks de voortdurende groei van het aantal niet-actieven - een kleiner deel van het bruto binnenlands produkt gemoeid dan tien jaar geleden het geval was. De investeringen van de overheid zijn verder ingezakt. Het beslag door andere uitgavenposten is juist toegenomen. Vooral de rentelasten liepen op; deze liggen nu anderhalf punt van het bbp hoger dan in 1982 het geval was.

Hoewel de uitgavenquote met vier punten is gedaald, zijn de collectieve lasten onder Lubbers met een vol punt gestegen, tot 47,5 procent van het bbp. Door lagere uitgaven en hogere belastingontvangsten kon het tekort van de collectieve sector sinds 1982 dalen van 9,5 tot 3 procent van het bbp. Vorig jaar voldeed Nederland dus al aan de tekortnorm uit het Verdrag van Maastricht. Het bereiken van deze mijlpaal was een hoofddoel van het jarenlang gevoerde beleid.

Ongehoord grote tekorten joegen de schuld van de overheid in de loop van de jaren tachtig omhoog. Bij het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers voldeed Nederland nog aan de latere schuldnorm uit het Verdrag van Maastricht (maximaal 60 procent van het bbp). Onder Ruding liep de schuldquote op van 56 tot 79 procent van het bbp. Het is de grote verdienste van Kok dat hij - ondanks de tegenzittende conjunctuur - de tekortquote vrijwel heeft weten te stabiliseren. Vorig jaar stond de quote op 81 procent van het bbp.

Net zoals nu, gingen in 1982 maandelijks tienduizend banen verloren. Vermindering van de werkloosheid was een ander hoofddoel van het beleid van drie kabinetten-Lubbers. De resultaten zijn gemengd. Ten opzichte van de situatie in 1983 zijn er een miljoen banen bijgekomen. Steeds meer mensen hebben een deeltijdbaan. Gemeten in volle banen was de winst aan werk daarom minder groot: ongeveer 650.000 arbeidsjaren. Ondanks deze sterke groei van de werkende beroepsbevolking is het aantal werklozen het afgelopen decennium toegenomen. Dit jaar ontvangen 735.000 mensen een werkloosheidsuitkering, tegen 520.000 in 1982. Vooral door de sterke oploop van de werkloosheid en de geleidelijke vergrijzing van de bevolking moeten honderd actieven nu de uitkering verdienen voor 86 niet-actieven. Een decennium geleden was dit verhoudingsgetal gunstiger: honderd werkenden moesten destijds de kost verdienen voor 76 uitkeringsontvangers.

In 1982 ging van elke verdiende gulden slechts zeven cent naar de kapitaalverschaffers. De vermogenspositie van bedrijven was ernstig verzwakt. Onder Lubbers nam het aandeel van de kapitaalverschaffers volgens de bedoeling toe tot twee dubbeltjes van elke in 1990 verdiende gulden. Daarna slonk dat aandeel door forse, gehonoreerde looneisen weer tot dertien cent. Het bereikte winstherstel heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de banengroei in de afgelopen periode.

De door drie kabinetten bereikte resultaten staan op dit moment onder druk. De collectieve uitgaven en het tekort lopen weer op, en de werkloosheid is nog nooit zo groot geweest. De conclusie is onontkoombaar dat Lubbers het karwei niet heeft weten te klaren. Op de steenachtige aarde die de zittende regeringsploeg nalaat, wordt het - ook bij een enigszins aantrekkende economie - voor het volgende kabinet uiterst moeilijk oogsten.

    • Flip de Kam