Verbruggen weerspreekt geruchten

MEERBEKE, 5 APRIL. Voorzitter Hein Verbruggen van de internationale wielerunie (UCI) verzet zich met klem tegen de geruchtenstroom die suggereert dat de huidige successen van Italiaanse renners verband zouden houden met het gebruik van erytropoëtine (EPO), synthetische bloeddoping. De Nederlander doet dat in een open brief aan de wielerpers. “Deze spiraal van verdachtmakingen”, schrijft Verbruggen, “treedt de laatste dagen kennelijk uit zijn voegen waarbij alle regels van objectiviteit en eerlijkheid openlijk worden geschonden. Zonder de minste vorm van bewijs, zich enkel baserend op enkele vage geruchten en verklaringen die totaal uit hun context zijn gerukt en door de betrokkenen vaak al weer zijn ingetrokken, wordt de wielersport in het algemeen en het Italiaanse wielrennen in het bijzonder op onverantwoorde wijze in een kwaad daglicht gesteld.”

Profs uit Italiaanse ploegen wonnen deze jonge competitie al méér dan zestig keer. Verbruggen wijst er in zijn brief onder meer op “dat de Italiaanse successen geen toeval zijn, maar naast talent en aanleg zijn toe te schrijven aan een professionele begeleiding die zich vooral uit in het gebruik van de modernste trainingstechnieken”. Ook stelt hij “dat er een permanente medische omkadering is die gebruik maakt van de nieuwe evoluties en technieken en die de renners dagelijks bijstaat in het opbouwen en onderhouden van hun conditie”.

Volgens Verbruggen is “succes gebaseerd op een goede omkadering en professionele begeleiding niet enkel het geheim van het zuiderse wielrennen. Ook het succes van het Belgische judo, het Amerikaanse basketbal, de Noorse wintersporters, enzovoort, is het resultaat van dezelfde factoren”. Dat zijn, volgens de UCI-voorzitter, “niet toevallig factoren die in enkele andere wielerlanden nog altijd eerder uitzondering dan regel zijn. Ik kan mij dan ook niet van de indruk ontdoen dat deze geruchtenstroom deels is gebaseerd op frustraties gepaard gaand met het achterwege blijven van eigen successen.”

Het is in dit kader, vervolgt Verbruggen, “dat dan ook de uitlatingen van een aantal renners dient te worden geplaatst dat verdenkingen uit, maar daarbij tegelijkertijd stelt over geen enkel bewijs te beschikken. Zelfs doktoren laten zich verleiden tot het openbaar maken van onzinnige en irrelevante stellingnamen zoals het feit dat de Italiaanse renners hun onschuld maar eens moeten bewijzen. Dat lijkt ons een omgekeerde wereld! Het is trouwens lachwekkend te veronderstellen dat het gebruik van één bepaald produkt, dat in vele landen verkrijgbaar is, beperkt zou kunnen worden tot de sportpopulatie van één land.”

Verbruggen wijst er tenslotte op dat wierlrennen de sport is waarin de meeste dopingcontrôles worden uitgevoerd. “Éénderde van alle contrôles is wereldwijd”, schrijft hij, “en slechts 0,75 procent van deze duizenden jaarlijkse contrôles is positief. Daarmee staat wielrennen inzake dopinggebruik volgens de medische commissie van het Internationaal Olympisch Comité slechts op de veertiende plaats.”