Proza zo hard als glas

Granta 46, winter 1994, 254 blz., ƒ 30,35; uitg. Granta Publ.

We leven in tijd van literaire inflatie, en we weten het. Iedereen heeft zich er dan ook mee verzoend dat letterkundige mediocriteit routinematig wordt verpakt in superlatieven. Daarom is de schok des te groter wanneer superb proza frontaal het middenrif raakt.

Het nieuwe nummer van Granta, het 'paperback magazine of new writing', biedt zo'n zeldzame leeservaring. Onder de noemer 'crime' heeft redacteur Bill Buford elf bijdragen over misdaad verzameld die niet alleen origineel zijn, maar merendeels ook werden geschreven in een keel-dichtknijpende non-fictie stijl die in Nederland onbekend is, of althans door niemand goed wordt beheerst. Op het omslag staat een foto van James Ellroy, de crime-writer uit Los Angeles wiens gelauwerde 'LA Quartet novels' (zoals The Big Nowhere en White Jazz) ook bij ons snel aan faam winnen. Als tienjarig jongetje staart hij met glazige ogen en een open gulp in de lens. Het is 22 juni 1958, en hij heeft vijf minuten tevoren gehoord dat zijn moeder is vermoord.

In het openingsstuk 'Dick Contino's blues' tekent hij 82 adembenemende pagina's lang het gefnuikte bestaan van accordeonist Dick Contino. Het is het verhaal van low-life in the fifties. Dick kon alles met zijn accordeon, maar nam te vaak op de verkeerde plaats op het verkeerde tijdstip de verkeerde beslissing. Hij probeerde de oorlog in Korea te ontduiken, hetgeen niet lukte maar hem wel gevangenisstraf en de reputatie van lafaard opleverde. Daarna wilde geen hond meer naar accordeons luisteren. Amerika was geobsedeerd door de rock'n'roll en de angst voor de communisten. Er volgden vele pogingen de carrière te redden, tot een in scène gezette ontvoering aan toe ('I say the entertainment business thrives on bullshit, so why not try to shovel some of our own?'). Alles liep spaak in een cataclysmische cocktail van kleinsteedse misdaad met te grote wapens, riooljournalistiek, McCarthyisme, besmuikte seks en zo meer. Dicks vrienden van toen zijn nu dood. Zelf speelt hij nog op feesten en partijen. Soms mompelt iemand 'lafaard', maar dat geeft niet, want dankzij James Ellroy (die hem ook de hoofdrol geeft in zijn nieuwe roman) is hij onsterfelijk geworden.

'Dick Contino's Blues' is geschreven als een monoloog van iemand die in slang over z'n eigen woorden struikelt. Daardoor heeft het stuk een meedogenloze vaart, maar is het onbegrijpelijk voor lezers die de taal van de onderkant van Amerika niet enigszins kennen. Hoewel het geheel is verluchtigt met foto's van Dick en zijn accordeon blijft men hijgend achter met de vraag of en waar de grens tussen non-fictie en fictie hier overschreden werd.

Die kwestie is niet aan de orde bij de autobiografische bijdragen van twee tot levenslang veroordeelde moordenaars. 'Hard man' is het relaas van een uitzichtloos jeugd in Glasgow door Hugh Collins (die afgelopen juli overigens vrijkwam en sindsdien al in verscheidene galeries heeft geëxposeerd). Met een vader in de gevangenis en vriendjes die met slagersmessen op hem inhakken, is zijn leven een glijbaan naar bloederigheid en de onafwendbare ondergang, die Collins zonder poespas in beeld brengt. Dat geldt ook voor Henry John Reid die in 'Blind Rage' vertelt over zijn uitbarstingen die uitlopen in een fatale steekpartij. Hij zit nu ter beschikking van de staat in een psychiatrische gevangenis, maar dat neemt niet weg dat zijn proza zo hard als glas is.

Verder in dit Granta-nummer nog een voorpublikatie van Paul Auster, een opzienbarende documentaire over een zaak van necrofilie in Fall, North Carolina, opgetekend door de Amerikaanse schrijver Allan Gurganus, en een huiveringwekkend verhaal over een verkrachting in Marokko door Peregrine Hodson, die eerder naam maakte met zijn A Circle round the Sun.