Militairen hebben nu de kans om het menselijk lijden te verlichten

In de Verenigde Staten staan voor- en tegenstanders van nieuwe taken voor het leger lijnrecht tegenover elkaar. Voorstanders vinden humanitaire operaties een logische taak voor de krijgsmacht, tegenstanders zien hiermee nodeloos kostbare trainingstijd verloren gaan. C. Homan vindt dat militairen maar eens moeten wennen aan de dubbelrol van krijgsman en vredestichter.

'Er bestaat voor krijgslieden geen grotere voldoening dan hun vaardigheden te gebruiken voor het verlichten van menselijk lijden in plaats van het vernietigen van leven', aldus de toenmalige voorzitter van de Amerikaanse verenigde chefs van staven, generaal Colin Powell, vorig jaar op de Harvard University. Geruime tijd daarvoor had Samuel Huntington, hoogleraar aan deze universiteit, op een symposium echter geconstateerd dat: “Het hoofddoel van een krijgsmacht is in wezen anti-humanitair: namelijk het doden van mensen op de meest efficiënte wijze die mogelijk is.”

Tegen deze achtergrond woedt in de Verenigde Staten een discussie tussen voor- en tegenstanders van het uitvoeren van niet-traditionele taken door de krijgsmacht (elementen van dit debat zijn mutatis mutandis ook in Nederland onderwerp van discussie). Een uitgesproken tegenstander van niet-traditionele taken is de Amerikaanse chef-staf van de luchtmacht, generaal Merrill McPeak. Deze bepleit dat de krijgsmacht zich beperkt tot haar kerntaak, die van oorlogvoering. Evenals succesvolle bedrijven dienen wij, aldus de generaal, “stick to our knitting”.

Diametraal hiertegenover staat de bevelhebber van het Atlantisch commando, admiraal Paul Miller. Deze vindt dat de nieuwe veiligheidssituatie vereist dat de krijgsmacht haar takenpakket uitbreidt. Hierbij denkt hij niet zozeer aan de inzet van wapensystemen, maar aan het gebruik van de commandostructuur, logistieke netwerken, organisatorische bekwaamheden en operationele vaardigheden waarover een krijgsmacht beschikt. Miller vindt een medestander in columnist Jim Hoagland die meent dat “bevrijd van de beperkingen en verplichtingen van de Koude Oorlog, de Amerikaanse krijgsmacht ingezet kan worden als de ideale organisatie voor mondiale humanitaire operaties”.

Maar tegenstanders van niet-traditionele taken brengen hiertegen een aantal argumenten in stelling. In de eerste plaats vinden zij dat het uitvoeren van deze taken ten koste gaat van de kostbare en veel tijd vergende militaire training voor de gevechtstaken. Training, aldus kolonel Charles Dunlap van het Central Command, is een “zero-sum game”: “Elk moment dat wordt besteed aan het uitvoeren van een niet-traditionele missie is er een dat niet beschikbaar is voor de gebruikelijke gevechtsoefeningen”.

In het verlengde hiervan ligt het tweede argument, inhoudende dat de kosten die aan de uitvoering van deze niet-traditionele taken verbonden zijn, meestal drukken op het defensiebudget; een situatie die in Nederland weinig anders ligt. Dit vermindert de inzetbaarheid voor gevechtstaken.

In de derde plaats voeren tegenstanders aan dat de niet-traditionele taken op gespannen voet staan met de twee belangrijkste beginselen van oorlogvoering, namelijk het 'doel' en het 'offensief'. Het eerste beginsel luidt dat iedere militaire operatie gericht moet zijn op een duidelijk omschreven, beslissend en bereikbaar doel. Het tweede beginsel schrijft voor dat de militaire leider altijd moet trachten het initiatief te veroveren, te behouden en uit te buiten. Bij vredesoperaties is echter meestal geen sprake van een duidelijk omschreven doel. Ook biedt dit soort operaties weinig ruimte aan militaire eenheden om het initiatief te verkrijgen en te behouden. Integendeel: het initiatief berust eerder bij de belligerenten dan bij de blauwhelmen. Deze laatsten worden gedwongen steeds te reageren op gebeurtenissen, op een manier die ook nog onpartijdig moet overkomen. Kortom, in strijd met het militaire ethos is de rol van soldaten in vredesoperaties voornamelijk statisch, reactief en grotendeels symbolisch.

Een vierde argument van tegenstanders houdt in dat civiele organisaties vaak beter in staat zijn een aantal niet-traditionele taken uit te voeren. Hierbij denken zij aan niet-gouvernementele organisaties of het 'peace corps'.

Ten slotte menen tegenstanders dat het gevaar bestaat dat de scheiding tussen de civiele maatschappij en het militaire apparaat vervaagt. Anders gezegd: de inzet van militaire eenheden bij de wederopbouw van een land en de uitvoering van civiele programma's kan buitenlandse overheden belemmeren in hun pogingen de democratie in hun land en de civiele controle over het militair apparaat te bevorderen.

Hoe overtuigend zijn nu deze bezwaren? Komen zij niet overwegend voort uit een verouderde, beperkte visie op de rol van de krijgsmacht? Allereerst is er met de niet-traditionele taken voor een belangrijk deel niets nieuws onder de zon. In Nederland verricht de krijgsmacht immers al jarenlang activiteiten op het terrein van de civiele dienstverlening. Voorbeelden hiervan zijn de hulp bij transporten, assistentie bij de bestrijding natuurbranden en oogstwerk, steun bij zoekacties ter land en ter zee en optreden bij rampen in binnen- en buitenland. Belangrijker is echter dat de nieuwe veiligheidsproblematiek een geïntegreerde aanpak vereist, waarin nieuwe taken voor onze krijgsmacht liggen besloten.

Minister Pronk merkt in zijn nota 'een wereld in geschil' hierover op: “Het geven van humanitaire hulp in conflictsituaties is alleen effectief indien een aantal randvoorwaarden ter zake van de veiligheid is vervuld en wanneer tegelijkertijd wordt gewerkt aan politieke oplossingen van het desbetreffende conflict. De verschillende aspecten van het voorkomen, de beheersing en de oplossing van gewapende conflicten vereisen daarom een gecoördineerde inzet van buitenlands-politieke, defensie-politieke en ontwikkelings-politieke instrumenten”. Vanuit deze invalshoek is het niet verwonderlijk dat Ontwikkelingssamenwerking in Nederland financieel bijdraagt aan vredesoperaties in ontwikkelingslanden.

Tegenstanders van niet-traditionele taken dienen ook te beseffen dat “peacekeeping is not a soldier's job, but only soldiers can do it”. De ervaringen van de laatste jaren met vredesoperaties hebben dit nog eens onderstreept. Zo blijkt uit onderzoek dat ongeveer 90 procent van de opleiding voor vredesoperaties uit de standaardgevechtsopleiding voor de militair dient te bestaan. Kortom, de nieuwe veiligheidssituatie vereist een visie op de militaire professie, die gebaseerd dient te zijn op de tweezijdige rol van krijgsman en vredestichter. Nu kunnen niet-traditionele taken uiteraard nooit een rechtvaardiging zijn voor het in stand houden van een krijgsmacht. Deze is en blijft het kunnen uitoefenen van georganiseerd massaal geweld. Maar in de uitvoering van niet-traditionele taken ligt ook een belangrijke meerwaarde voor deze kerntaak besloten. Naast vergroting van de operationele vaardigheden kunnen deze immers dienen als toetssteen voor de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het functioneren van de krijgsmacht en voor de wijze van taakvervulling van het personeel. Bovendien ligt in de uitvoering van niet-traditionele taken een belangrijke brok motivatie voor het militair personeel besloten.

    • C. Homan