In Mostar is 'urbicide' gepleegd

In Mostar zwijgen de kanonnen. De 55.000 moslims die in een wijk van een paar vierkante kilometer bijna een jaar lang een regen van ijzer en staal hebben getrotseerd, zijn nog altijd geïsoleerd. “Ik wil niet denken over straks. Ik wil weer leven.”

OOST-MOSTAR, 5 APRIL. “Als we straks in de hel komen hebben we hier tenminste al geoefend”, zegt Maja en roert met een stok in de bonensoep. Een pikdonkere, vochtige kelder. Een ruimte niet groter dan een treincoupé. Hier heeft zij de afgelopen negen maanden geleefd, samen met haar man en haar twee zoontjes van acht en elf. “Nervo, nervo”, zegt de 'buurvrouw' die plotseling aan de andere kant van de zandzakken opduikt. Haar armen flapperen in het licht van de kaars als zij het dreunen van de granaten beschrijft.

Een stuk stad niet groter dan de Amsterdamse Jordaan, waarin meer dan vijfenvijftigduizend mensen zijn samengedreven. Nog steeds is Oost-Mostar een getto, totaal van de buitenwereld afgesneden. Bijna tien maanden lang zijn de burgers in dit oude, voornamelijk door moslims bewoonde gedeelte van de stad bestookt met mortieren en granaten. Overdag, maar ook 's nachts regende het uit de hemel. “Er is hier zoveel ijzer neergekomen dat je er een hele Eiffeltoren van kan bouwen”, had Maja gezegd, terwijl zij de weeïge soep in plastic bekertjes schepte.

Een vreemde sfeer van spanning en ontspanning, ergens tussen oorlog en vrede in. Sinds een week of twee vallen er geen granaten meer. Alleen wat sluipschutters doen nog hun werk. Langzaam komen de mensen uit de kelders tevoorschijn waar zij een hele zomer en een hele winter lang zijn gebarricadeerd.

Als een bloem draait Selma haar gezicht naar de zon zodra zij de binnenplaats opstapt. Om haar heen is totale verwoesting. Links de geblakerde resten van wat eens een warenhuis was. Rechts een flat zonder bovenverdieping. Het is of de stad door een reusachtige ponsmachine is gehaald. Geen tien vierkante centimeter oppervlak zonder gaten. “Hier stierf een kind”, wijst de 30-jarige advocate. “Hier een man die water ging halen.” Meer dan dertienhonderd doden en zesduizend gewonden heeft de oorlog in deze straatjes gekost. Elke steen, elke krater heeft er zijn eigen herinnering aan.

Even is zij gaan zitten op de resten van een omvergeschoten boom die nu door de mensen als houtvoorraad wordt gebruikt. “Ik wil niet meer denken over oorlog”, zegt Selma. “En ik wil ook nog niet denken over straks. Ik ben een vrouw die nu weer wil leven.”

In tegenstelling tot de sombere, besnorde vrouwen in het westelijke katholieke deel van de stad, lijken de vrouwen hier kleurige paradijsvogels. Met een oud stompje lippenstift heeft Selma haar mond rood gemaakt en ze heeft de strik van een cadeauverpakking op haar vluchtelingenkleren geprikt.

Het verhaal van Selma is dat van zovele moslims in dit deel van de stad. “Op een nacht klopten de soldaten van het Kroatische leger op mijn deur.” In een T-shirt en shorts is zij haar huis uitgejaagd. Van het westen, de brug over, naar het oostelijk deel van de stad. Hier leeft zij nu met haar moeder en nog dertien andere gedeporteerden in het appartement van een tante. “We waren altijd blij als de jongens weer naar de frontlijn moesten”, zegt Selma. “Dan konden we ons 's nachts eens uitrekken.”

We lopen door de nauwe straatjes van de stad. Een strakblauwe hemel en de tintelende geur van honderden vuren. Met provisorische pijpen wordt de rook door de gebarricadeerde ramen heen geleid. Vrolijk zwaait zij naar haar vriendinnen die in een rij voor de watertank staan. Voor Selma is het vandaag een grote dag. Na tien maanden gevangenschap zal vandaag haar vriend vrijkomen. “Ik ben de gelukkigste vrouw van de wereld. Het is voor mij een echt mirakel.” Toch maakt zij zich zorgen over verhalen over mishandeling en honger in de Kroatische kampen en over verkrachting. Hoe zal zij hem aantreffen? “Misschien is hij daar wel homo geworden”, grapt zij haar angsten weg.

We lopen naar het oudste deel van de stad. Voetstappen klinken hol op de keien van deze verkruimelde wijk, waaruit al het leven is weggeschoten. Dan opeens, als in een luchtspiegeling, staat daar het bordje Tourist Office. Een kleurige parasol waaronder een man aan een tafeltje zit. “Welkom”, roept hij. “Mijn eerste cliënten! Business was een beetje vlak.” Daar zit hij, de Mostarse schilder Stanko Starcevic. Opgesloten in dit getto waar nog geen vlieg in of uit kan. Het enige eten bestaat uit een basisprak van rijst en bonen die nog steeds mondjesmaat door de Verenigde Naties worden binnengereden. Tegen de klippen op probeert hij te leven: op tafel een paar stijve poppetjes in Bosnische klederdracht en ansichtkaarten van de Stari Most, de wereldberoemde oude brug van Mostar uit de zestiende eeuw. Met zijn mouw veegt hij het stof van een van de kaarten. “Kijk, zo was het. Mooi. Was dat niet mooi?”, zegt hij, terwijl hij de kaart ophoudt. Onder ons stroomt de Neretva, waarvan de helgroene kleur op geen foto is weer te geven. Daarboven in het zonlicht twee grijswitte stompjes waartussen - als het slappe koord in een circus - een ijzeren noodbrug is gespannen. Een kind met een jerrycan klettert over de spijlen, rennend en duikelend om de kogels van de sluipschutters te vermijden. “Was deze brug een militair doel, zoals de Kroaten zeggen”, vraagt Starcevic. “Was het nodig dit te verwoesten?” Met grote stappen loopt hij de eenzame kelder in van waaruit hij deze oorlog heeft beschouwd. Tegen de muur een stapel schilderijen. Een voor een draait hij ze om. In grijze, blauwe en felrode kleuren heeft hij het moment van de explosie geschilderd. Ook het volgende schilderij gaat over de brug. Een portret van de linkeroever. Dan van de rechteroever. De verkruimelde burchten. De brug, alleen maar de brug heeft hij geschilderd. Totdat een paar weken geleden zijn verf op was. In een hoek staat een schilderij van voor de oorlog: de ruwe afbeelding van een vrouw. Met dikke potloodstrepen heeft hij er nu het silhouet van de brug overheengekrast. “Het is de geschiedenis van Mostar”, zegt de schilder. “De verwoesting van een cultuur.”

Starcevic wil praten, eindeloos praten. Niet over de angst en de doden van de afgelopen maanden. Hij wil praten over het waarom van de oorlog. Hij is er heilig van overtuigd: “Dit is geen oorlog tussen moslims en Kroaten, zoals onze leiders beweren; dit is een oorlog tegen de stad.” De haat van de 'bergmensen' tegen een stad waarin moslims, Kroaten en Serviërs al eeuwenlang samenleven, zegt hij. De haat van het platteland tegen de beschaving. Met zijn potlood krast hij een woord op papier. Urbicid. Urbicide. Het is een nieuw woord dat met deze oorlog is uitgevonden. Het betekent: moord op de ziel van de stad.

“Zes”, zegt de rector trots. “Al zes studenten zijn bij ons afgestudeerd.” Een kamer van vier bij vier. De geur van brand en het getik van water. De stapel zandzakken voor het gat van de ramen. Univerzitet Mostaru staat er op de deur. Buiten, in de middagzon, flaneren de mensen, op weg naar de waterkraan of naar het 'restaurant', zoals zij de donkere gaarkeukens noemen. Toch kleden de mensen er zich speciaal voor aan. Een meisje op hakken onder een veel te grote soldatenjas. Met het krijt van bakstenen heeft zij haar bleke wangen rood gemaakt. Mostar look had Selma gezegd. “Doorgaan met leven.”

Ook hier in de 'universiteit' van Oost-Mostar woedt het leven. Mannen en vrouwen zitten driftig te schrijven. Tegen de muur een schoolbord met natuurkundige formules. “Je moet gewoon weer ergens beginnen”, zegt rector Kerim Slipicevic. In zijn morsige trui en zijn versleten regenjas lijkt hij meer op een zwerver dan op een professor. Toch is er vrolijkheid in zijn ogen. Hij laat de papieren zien: 120 studenten die zich voor het eerste jaar hebben ingeschreven. “En tientallen anderen hebben ons geschreven dat ze ook willen komen.” Het is nog wat 'lastig' met vervoer, zegt hij, doelend op de totale blokkade waarin Oost-Mostar zich bevindt. Toch is hij ervan overtuigd, zegt hij: “Op den duur zullen we weer allemaal samen gaan. Want wat heb je aan een halve universiteit?”

Die avond bij Maja zitten we rond het vuur. Er wordt gepraat en theegedronken met water uit de rivier. Verhalen over de zes lijken die vandaag door VN-soldaten uit het niemandsland bij de brug zijn weggehaald. Maja vertelt over haar grootste droom: een warm bad en een pilsje op een zonnig terras. Lustig wordt er gefantaseerd: chocola, muziek, en een avondje swingen. Maja vertelt ook over haar kinderen. Hoe zij in de oorlog zijn veranderd. “Vroeger klapte ik in mijn handen, dan kwamen ze meteen.” Nu moet zij roepen en roepen. Maar zij luisteren niet meer. Vooral de oudste baart haar zorgen. “Geen gevoel meer”, zegt zij en zoekt de juiste woorden. Zij had gehoopt dat de school zou helpen. Drie weken geleden werd hij geopend. Maar nu is hij weer gesloten. Een sluipschutter heeft vanaf de heuvel in het klaslokaal geschoten. Een meisje werd in haar benen geraakt. Heftig pookt Maja met een stok in het vuur. Zij bijt op haar lippen. Zij gooit de pan van het vuur, en likt aan haar verbrande duim. “Vertel me”, vraagt zij. “Hoe zou jij hier leven? Hoe doe je dit in vredesnaam?”