Een gevangene van het verleden

Meneer Schroemers houdt zijn dikke winterjack aan terwijl hij voor zijn rechters plaatsneemt. Misschien geeft het hem de illusie van kortstondigheid, het idee dat er grenzen zijn aan zijn beproeving en dat hij zomaar kan opstappen als het hem te veel wordt. Hij is een zware, vormeloze man die enigszins scheef in zijn stoel hangt. Hij kijkt geen moment achter zich, begrijpelijk, want daar is zijn verleden, belichaamd door zijn 17-jarige dochter Suzanne.

Suzanne wordt geflankeerd door haar oma en een vriendin. Het is een lang, mager meisje met een te grote, zwarte bril op haar wasbleke gezicht. Suzanne beschuldigt haar vader van ontucht, met haar gepleegd in de periode van 1 maart 1987 tot en met 31 augustus 1990. Schroemers heeft het belangrijkste deel van de aanklacht toegegeven. Hij ontkent alleen sommige handelingen en hij blijft volhouden dat het een kortere periode betreft: ongeveer drie kwart jaar.

De meervoudige kamer van de rechtbank van Den Bosch heeft zich al een jaar geleden over deze zaak gebogen. Toen werd de afhandeling uitgesteld, omdat het wenselijk leek Schroemers eerst zo snel mogelijk te behandelen in een incestdader-project. Dat zou de kans op herhaling verkleinen. Hij bleef immers inwonend vader van het gezin. Zijn vrouw had echtscheiding overwogen, maar was daar later op teruggekomen. Er wonen nog twee jongere zusjes van Suzanne thuis. Suzanne zelf woont zelfstandig.

De voorzittende rechter, mevrouw mr. B. Stoker-Klein, vraagt de verdachte of hij bij zijn eerdere verklaringen blijft. Hij knikt. Dan wendt de rechter zich tot Suzanne die op een van de eerste rijen zit. “U bent opgeroepen als beledigde partij, want u heeft een financiële schadevergoeding geëist?”

Suzanne staat, diep blozend, op. Ze knikt en dan laat de rechter haar naarvoren komen. Ze moet enkele meters schuin achter haar vader plaatsnemen. “Ik hoef eigenlijk geen financiële vergoeding”, zegt Suzanne met trillende stem. “Ik wil alleen maar zeggen: hou er rekening mee dat ik nu als gevangene voor de rest van mijn leven in mijn verleden vastzit. Daar hoort voor hem de nodige straf bij.”

Haar hoofd zakt voorover, ze beeft over haar hele lichaam. Iedereen kijkt versteend toe. De rechter heeft haar ongetwijfeld met de beste bedoelingen naarvoren gehaald, maar Suzanne was er duidelijk niet op voorbereid.

“Heeft u hulp?” vraagt de rechter.

“Gehad. Nu even niet. Het haalt zoveel op. Ik zit met mijn studie en ik kan het niet aan om er met hulpverleners over te beginnen. Ik wil verder, maar het lukt niet.”

“Wilt u verder nog iets zeggen?”

“Hij heeft de kans om van zijn problemen af te komen”, zegt Suzanne haperend, “voor hem is er psychiatrische hulp. Maar ik geloof niet in zijn spijt. Hij schuift de schuld af op mijn moeder, zij zou me te weinig liefde hebben gegeven. Hij probeert er onderuit te komen.”

“Heeft u hem nog gesproken?”

“Ik heb hem nog een keer over de telefoon uitgescholden.”

Suzanne strompelt terug naar haar toeschouwersplaats. De rechter wendt zich tot de verdachte. “Meneer Schroemers, u merkt hoe ingrijpend zoiets kan zijn.”

“Ze zegt dat ik geen spijt heb”, zegt Schroemers, “maar ik weet wel wat ik fout heb gedaan.”

“Hoe kan het dat zij een veel langere periode van ontucht aangeeft?”

“Het kan niet langer zijn geweest.”

“Uw vrouw zou veel gedronken hebben. Is dat nog steeds zo?”

“Dat is nu over”, zegt Schroemers die ook zelf een groot alcoholprobleem achter de rug heeft. “We hebben alles uitgepraat. Het gaat gewoon goed.”

Behalve dus met Suzanne. Zij heeft ook met haar moeder geen contact meer. De moeder had haar aanvankelijk alleen maar bestempeld als een onruststoker die de gezinsverhoudingen verziekte. Pas toen haar man bekende, moest ze daarvan terugkomen. Daarna koos ze uiteindelijk toch voor haar man, niet voor haar dochter - zo zal Suzanne het in ieder geval opvatten.

Een reclasseringsambtenaar komt vertellen hoe moeizaam zijn contact met de familie Schroemers verlopen is. Mevrouw wilde in het begin niet meewerken, uit vrees dat zij als medeplichtige beschouwd zou worden. Meneer Schroemers ontliep zijn verantwoordelijkheid. Inmiddels vinden er regelmatig gezinsgesprekken plaats en moet meneer zich eens in de veertien dagen voor een gesprek bij de reclassering melden.

“U ziet hoe hoog het Suzanne nog zit”, zegt de rechter tegen de reclasseringsambtenaar. “Had u dat verwacht?”

“Ja. Maar het stelt me teleur dat de begeleiding van haar door de Raad voor de Kinderbescherming gestopt is.”

“Met wie heeft u daar contact gehad?” vraagt de rechter aan Suzanne.

“Ach, ik heb er zoveel contacten gehad”, zegt ze moedeloos.

“Kennelijk loopt het niet goed”, constateert de reclasseringsambtenaar, “vader, moeder en de twee andere kinderen worden in ieder geval goed begeleid.”

“Maar het slachtoffer staat ernaast”, stelt de rechter vast.

“Het slachtoffer heeft de indruk dat hij zijn schuld nog steeds niet volledig erkend heeft”, zegt de officier van justitie, mevrouw mr. N. Verkleij.

“In de behandeling erkent hij nu wel zijn verantwoordelijkheid”, zegt de man van de reclassering, “maar ik hoop dat hij dat ook nog eens doet in een confrontatie met haar.”

“U kunt het vandaag herhalen, meneer Schroemers”, zegt de rechter.

Schroemers zucht diep. “Het is gewoon mijn schuld. Wat moet ik nog meer doen? Suzanne heeft zelf niks gedaan. Ik heb er eeuwige spijt van. Zij zal er langer mee zitten dan ik.”

Terwijl hij deze woorden uitspreekt, zakt Suzanne snikkend voorover op haar stoel. “Ik zit er mee dat Suzanne aangeeft dat ze hem niet gelooft”, zegt de officier, zelf ook duidelijk aangeslagen. “Ik vind het schrijnend, dat verschil in aandacht voor dader en slachtoffer. Zij zit nog steeds met haar problemen.” Ze eist een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, te vervangen door 140 uur onbetaalde arbeid, plus een voorwaardelijke straf van negen maanden.

De advocaat, mr. A. Cuyten, vraagt om een geheel voorwaardelijke straf. “Dat is de vorige keer door een andere officier ook aangegeven”, zegt hij geprikkeld. “Ik wil wel bekennen dat ik me ook laat leiden door wat het slachtoffer hier heeft gezegd”, reageert de officier.

“Suzanne, het ga je goed”, zegt de rechter.

Op de gang zegt Suzanne's oma giftig tegen de reclasseringsambtenaar: “Er is geen enkele hulp aan haar verleend.”

“Wij zijn gericht op hulp aan de daders”, bromt de man.

Suzanne vraagt de bode hoe ze over veertien dagen het vonnis kan vernemen. Haar vader is dan al, zonder op of om te kijken, met zijn advocaat vertrokken.

(Het vonnis, twee weken later: een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams